Metaaldetectors bij Detector Plaza

We bieden alle leden van dit forum een korting van 5% op ons assortiment.
Om de korting te verzilveren gebruikt u tijdens het afrekenproces
de volgende kortingscode: MBCKORT5
Nieuwe artikelen (introductie of beperkt leverbaar), Accessoires of
Aanbiedingen (bijv. artikelen waarbij gratis
accessoires worden gegeven) kunnen hiervan worden uitgezonderd.

Auteur Topic: De eerste “Belgische” munten: de gouden en zilveren leeuwen  (gelezen 1410 keer)

Kadan

  • Gast
De eerste “Belgische” munten: de gouden en zilveren leeuwen
« Gepost op: februari 09, 2012, 13:01:38 pm »


http://www.nbbmuseum.be/nl/2008/05/lions-dor.htm

In de geschiedenisboeken lezen we dat België in 1830 onafhankelijk werd. Met de muntwet van 1832 begint ook de geschiedenis van de Belgische frank. Deze frank was zonder enige twijfel onze meest bekende munteenheid en hield het sindsdien precies 170 jaar uit. De eerste “Belgische” munten zijn echter een paar decennia eerder geslagen. Ze dateren van 1790 en je kunt er vier verschillende exemplaren van bewonderen in de vitrines 17 in zaal 4.


In 1781 hoorden de Zuidelijke Nederlanden integraal bij het Habsburgse Rijk met zijn Oostenrijkse keizers. In die tijd sprak men dan ook over de Oostenrijkse Nederlanden. Nu is het echter niet zo dat we ons bij die Zuidelijke Nederlanden een eengemaakt geheel mogen voorstellen. De term slaat in feite op een dozijn verschillende graafschappen, hertogdommen en ook gewone heerlijkheden. Hoewel allemaal verenigd onder één kroon, hadden al deze entiteiten nog steeds hun eigen provinciale identiteit en hun eigen “Staten”.

De Staten stamden uit de middeleeuwen. De Statenvergadering was een bijeenkomst van de drie standen binnen het grondgebied van een welbepaalde heer. De adel (eerste stand) en de clerus (tweede stand) bezaten binnen dit orgaan de meeste macht. Daarnaast was er natuurlijk ook nog de derde stand van rijke kooplieden en ambachtslui uit de grote steden. Hoewel deze laatsten een pak minder macht hadden, lieten ze regelmatig van zich horen.

Binnen de Statenvergadering moesten de standen niet enkel onderling bepalen wie wat mocht hebben en doen en wie wat moest laten. Het was tevens de plaats om gezamelijk (eens alle onenigheden beslecht) te onderhandelen met de heer. Conflicten tussen de Staten en hun heren waren tijdens de middeleeuwen en gedurende de Nieuwe tijd dan ook schering en inslag. Vaak ging het erover dat de heer nu eens brutaal, dan weer via allerlei slinkse wegen oude privileges van de Staten (en dus van de plaatselijke elites) trachtte terug te schroeven. In de Zuidelijke Nederlanden van de tweede helft van 18de eeuw was het niet veel anders.


In Oostenrijk was in 1780 Jozef II definitief aan de macht gekomen. Jarenlang had hij zich moeten tevredenstellen met de post van coregent van zijn moeder, Maria Theresia van Oostenrijk. Hoewel hij al sinds het overlijden van zijn vader in 1765 de titel van keizer droeg, hield Maria Theresia de touwtjes strak in handen. Bij Jozef II, die veel reisde, groeide ondertussen het verlangen om verregaande hervormingen door te voeren. Toen de Habsburgse keizer in 1780 eindelijk vrijspel kreeg, kon het vaak niet snel genoeg gaan. Zijn stijl om op autoritaire wijze de meest liberale hervormingen door te voeren, viel echter niet overal even goed in de smaak. Historici typeren het als een “revolutie van bovenaf”.

Al gauw botste de moderniseringsdrift van Jozef II met de privileges van de Zuid-Nederlandse Staten, die onder Maria Theresia een grote autonomie hadden gekend. Jozef II vond dit maar niets. Hij wilde een moderne gecentraliseerde staat die op alle vlakken het laatste woord zou hebben. Godsdienstvrijheid was voor hem bijvoorbeeld erg belangrijk en hij stoorde zich aan het feit dat deze onder druk van de Kerk in de katholieke Zuidelijke Nederlanden uitbleef. Ook op sociaal vlak en in het onderwijs ging de keizer zonder verpinken in tegen de plaatselijke – vaak erg conservatieve – geplogenheden.

Na een versnelling van de hervormingen in 1784, zwol het protest in de Zuidelijke Nederlanden aan. Achtereenvolgens tekenden de Staten van Henegouwen, Brabant en Vlaanderen officieel verzet aan tegen hun vorst. Er braken rellen uit en er werden burgerwachten opgericht, die zich afzetten tegen het keizerlijke leger. Onder de plaatselijke notabelen begonnen zich twee haarden van verzet te vormen. Ten eerste was er de Brusselse advocaat Hendrik Van der Noot, die veel bijval kreeg in katholieke en conservatieve kringen. Ten tweede had je de advocaat F.J. Vonck. Zijn aanhangers, de Vonckisten, waren progressiever en aanvankelijk nog positief ten opzichte van de keizerlijke hervormingen. Naarmate de repressie vanuit Wenen echter toenam, keerde ook hun gemoed.

Toen ook de Kerk zich roerde en de plaatselijke bisschoppen Jozef II omwille van zijn standpunten rond godsdienstvrijheid, openlijk een ketter noemden, kreeg de beweging de wind in de zeilen. In Breda werd nu een Comité van nationale bevrijding opgericht dat de twee strekkingen verenigde, en op 24 oktober 1789 viel een bevrijdingsleger van 2800 man vanuit het noorden de Kempen binnen. Op 27 oktober werd Turnhout bevrijd, op 16 november namen de troepen Gent in en op 12 december viel de hoofdstad Brussel in handen van de patriotten. Tegen 22 december waren alle Zuid-Nederlandse provincies, op Luxemburg na, bevrijd.

Deze periode van oproer is de geschiedenis ingegaan als de Brabantse omwenteling. Het resultaat was een nieuwe republiek, die de Verenigde Nederlandse Staten werd gedoopt. De soevereiniteit berustte bij de provinciale Statenvergaderingen. In die zin was de republiek confederaal van opbouw en in wezen in handen van de oude elite. De Vonckisten, die meer zagen in een parlementair systeem, zoals het na de revolutie van 1789 in Frankrijk was ingevoerd, werden het land uitgejaagd. Opstandige boeren zagen nog liever een vreemde en autoritaire keizer met aandacht voor hun problemen aan de macht, dan een inlandse elite zonder de behoefte ook maar iets voor hen te doen. Hun opstand werd bloedig onderdrukt uit angst voor te radicale Franse toestanden.


Ondertussen begon de kersverse republiek haar eigen munten te slaan. De planning was een gouden en zilveren leeuw te slaan, aangevuld met een gouden en zilveren halve leeuw, een enkele en halve gulden en stukken van 5 stuiver en 10, 2 en 1 oord. De stukken in de vitrines zijn respectievelijk een gouden en een zilveren leeuw en twee exemplaren van de gulden. Als we even beter kijken naar de leeuw (op de eerste foto) zien we hem zwaaien met een zwaard (ter verdediging van de revolutie) en steunend op een schild met het duidelijke opschrift “libertas”. Op de keerzijde van de munt staan de wapenschilden van de 11 provincies afgebeeld.

Theodoor Van Berckel, graveur van de Munt in Brussel, stond in voor de ontwerpen. Ze werden echter niet allemaal uitgevoerd, omdat de Oostenrijkers eind november 1790 het land weer binnenmarcheerden. De interne spanningen met de Vonckisten en het uitblijven van internationale steun voor de prille republiek hadden de Verenigde Nederlandse Staten (of Verenigde Belgische Staten, zoals de bekende Gentse historicus Henri Pirenne ze achteraf noemde) de das om gedaan. De interne verdeeldheid legde de basis voor de twee politieke stromingen die de hele 19e-eeuwse Belgische geschiedenis zouden gaan beheersen: katholieken en liberalen. Potentiële onafhankelijkheidsstrijders te lande leerden de wijze les in het vervolg de Europese vorstenhuizen te bespelen door het installeren van een monarchie.

Natan Hertogen
Museumgids

Bron:

Blom, J.H.C., Lamberts, E. (red.), Geschiedenis van de Nederlanden, Hb Uitgevers, Baarn, p. 235-242.







 

Naar Boven