apothekers gewicht

Apothekers gewichten

Voorwerp: Diverse gewichten van brons en lood , waaronder het eerste apothekers gewicht. Het tweede gewicht van twee grossen, loodgewicht (gewicht 1 gros).

Above grocery weights. Items of Lead and Brass.
Time: 18th century.

++++++ VANAF DE ROMEINSE KEIZER CONSTANTIJN BEGON 'T ++++++

VERWANTE FAMILIELEDEN EN TEVENS........
De Romeinse keizer Constantijn gaf het christendom in 324 een bevoorrechte status. Alle gelden die men eerder aan heidense tempels besteedde, werden overgeheveld naar de christenen. De tempels werden regelmatig aangevallen door groepen militante monniken. Uiteindelijk werden alle heidense beelden en altaren in 407 officieel verboden. Stark stelt dat monotheïstische godsdiensten van nature intolerant zijn. Gelovigen die menen dat ze de enige ware God aanbidden en precies weten wat deze God verlangt, nemen aanstoot aan andere religies. Wanneer zulke gelovigen kunnen beschikken over de macht van de staat, zetten ze alle middelen in om devianten tot zwijgen te brengen. Dit kan volgens Stark het beste worden voorkomen door vrije concurrentie, met als lichtend voorbeeld de VS, waar 1500 religieuze firma’s hebben geleerd om hoffelijk met elkaar om te gaan.

Katholieke geestelijken kregen dank zij Constantijn veel status, macht, privileges en rijkdom. Daardoor waren er onder de elite velen die een geestelijk ambt ambieerden, zonder dat ze een religieuze motivatie hadden. Door middel van goede connecties en omkoperij konden ze bisschop worden of een andere goedbetaalde positie binnen de kerk verwerven. De religieuze ambten werden vaak binnen families doorgegeven. Ook verscheidene pausen waren familie van een voorganger.

De kerkelijke machthebbers hadden weinig reden om een vroom leven te leiden. Ze hoefden geen rekening te houden met de wensen van de gelovigen, want daar was hun positie niet van afhankelijk. Eeuwenlang was het in de kerk een corrupte bende. Verscheidene pausen werden vermoord en soms vermoordden ze elkaar. Over hun levens kunnen liederlijke verhalen worden verteld. Zo had paus Johannes XII (955-965) een harem van jonge vrouwen tot zijn beschikking. Hij liet een kardinaal castreren, wijdde een tienjarige jongen tot bisschop en riep heidense goden aan tijdens het gokken. Parochiepriesters liepen de kantjes ervan af. Ze kwamen dronken naar de mis en hadden onwettige kinderen.

Hoewel de middeleeuwse maatschappij was doortrokken van religieuze symbolen, rituelen en retoriek, kwamen gewone mensen vrijwel niet in de kerk, alleen bij speciale gelegenheden. Velen hadden hun eigen, ongeorganiseerde geloof in hogere machten en krachten, die vaak niet christelijk waren. Buiten de steden waren er aanvankelijk bijna geen kerken. Pas in de late middeleeuwen stichtte men dorpskerken, die echter dikwijls zonder pastoor zaten. Priesters waren meestal niet of nauwelijk opgeleid.

Nadat de katholieke kerk de sterke arm van het Romeinse rijk was kwijtgeraakt, ondernam men tot in de 11de eeuw weinig tegen ketterijen. Die waren er nog wel, maar vormden geen bedreiging. Strikte en afwijkende geloofsovertuigingen vonden vaak een uitweg in kloosterordes, die als een soort sekten fungeerden. Ascetische heiligen, waaronder 30 procent vrouwen, kwamen gewoonlijk uit de hoogste kringen. Monniken bedreven missiewerk onder de barbaarse volkeren in het noorden, maar ze richtten zich daarbij vooral op de heersende elite. Gebieden werden gekerstend door het vorstenhuis te bekeren. Het geloof van de massa was van minder belang.

De kruistochten tegen de Turken, die de pelgrimages naar het Heilige Land belemmerden en Constantinopel bedreigden, werden vanaf 1095 in het leven geroepen door enkele vrome pausen die de geloofsijver probeerden te bevorderen. Duizenden monniken gaven de pauselijke boodschap door en begonnen te prediken over het kwaad van het ongeloof. Daarbij kwam ook de clerus onder vuur te liggen. Er waren hervormers die verkondigden dat de sacramenten geen waarde hadden wanneer ze door een immorele priester werden verstrekt. De kerkelijke machthebbers kregen het steeds drukker met het bestrijden van ketters.

Joden moesten zich aan allerlei beperkingen houden, maar werden van oudsher getolereerd, mede door de theologische doctrine dat de Wederkomst van Christus zal worden ingeluid met de bekering der joden. De kruisvaarders hadden echter geen goede reden om de vijanden van Christus zo ver van huis te zoeken en rekenden onderweg ook met joden af. In 1096 werden er in het Rijnland zo'n 5000 joden gedood. De plaatselijke bisschoppen probeerden hen in verscheidene plaatsen te beschermen, maar dat lukte niet altijd. In het gebied langs de Rijn – van Keulen, Mainz, Worms, Spier en Straatsburg tot in Zwitserland – werden joden geregeld aangevallen.

Ten tijde van de grote pestepidemie, halverwege de 14de eeuw, kwam uit Spanje het gerucht dat joden de waterbronnen hadden vergiftigd. Dit leidde tot wraakacties die begonnen in de buurt van het Meer van Genève en die zich langs de Rijn tot in Keulen verbreidden. In minstens zeven Duitse steden pleegden joodse gemeenschappen massaal zelfmoord. In Spanje vonden zulke excessen niet plaats doordat kerk en staat voldoende macht hadden om ze te voorkomen. Het Rijnland bestond daarentegen uit talloze autonome rijkjes die werden geregeerd door prinsen of prinsbisschoppen. In dit gebied waren eeuwenlang ook veel ketters actief, waaronder katharen, waldenzen, broeders van de vrije geest en hussieten.

DE DUITSTALIGE HEKSEN......................

De toenemende religieuze conflicten versterkten de intolerantie ten opzichte van magische praktijken, die onder het volk populair waren gebleven. Men gebruikte onder meer amuletten, bezweringsformules en toverdrankjes om de gezondheid, het weer, de vruchtbaarheid en het eigen fortuin te beïnvloeden. Het was ook niet ongewoon om een vervloeking uit te spreken of te dreigen met een beheksing. De kerk hechtte lange tijd geen betekenis aan het bijgeloof. In de 15de eeuw waren er echter universitaire theologen die tot andere conclusies kwamen. Zij geloofden dat magie vaak werkte (toverdrankjes waren inderdaad te prefereren boven de reguliere geneeskunst), maar aangezien dat niet aan God kon worden toegeschreven, moest de duivel erachter zitten.

'De daden van heksen zijn zodanig dat ze niet verricht kunnen worden zonder de hulp van duivels', betoogden de dominicaanse inquisiteurs Heinrich Kramer en prof. Jakob Sprenger in Malleus maleficarum een populair handboek voor heksenjagers. De duivel heeft op zijn beurt de assistentie van de heksen nodig, zodat beiden een verbond smeden. Een jonge heks uit de omgeving van Bazel had Kramer verteld hoe zij trouw zwoer aan de duivel en toverzalf en soep maakte van ongedoopt kindervlees. In het laatste deel gaf de inquisiteur aanwijzingen voor het opsporen en verhoren van heksen. Hij wist uit ervaring dat de duivel er soms voor zorgde dat ze ondanks de folteringen niks bekenden.

Tussen 1450 en 1750 werden er in Europa – van Finland tot Spanje – naar schatting zo’n 60.000 heksen geëxecuteerd, waaronder dertig procent mannen. De aangeklaagden hadden doorgaans een slechte reputatie en leefden geïsoleerd. Het waren onder meer oudere vrouwen, die soms magische diensten aanboden, maar ruzie kregen met een buurvrouw. De heksenprocessen bereikten hun hoogtepunt tussen 1550 en 1650, toen katholieken en protestanten in Duitsland om de macht streden. Heksen werden door beide partijen hard aangepakt. Minstens de helft van alle slachtoffers viel in het beruchte gebied langs de Rijn, waar lokale functionarissen regelmatig hele groepen duivelaanbidders oprolden.

Hoewel de Spaanse inquisitie een slechte naam heeft, waren de kerkelijke rechtbanken in Spanje en Italië opvallend mild. Beschuldigingen van hekserij leidden daar meestal niet tot een proces en slechts zeer weinigen kregen de doodstraf. Zo liet de inquisitie in Aragon tussen 1540 en 1640 niet meer dan 12 heksen executeren. In 1549 was er in Barcelona een plaatselijke inquisiteur die instemde met de verbranding van zeven heksen. Zijn superieuren lieten de zaak echter meteen onderzoeken door de inquisiteur Francisco Vaca. Hij concludeerde dat de aanklachten belachelijk waren. De Spaanse inquisiteurs hechtten al spoedig geen waarde meer aan afgedwongen bekentenissen en traden ook hard op tegen illegale heksenjagers. Mensen die zich aan magische praktijken hadden bezondigd, werden gezien als onwetenden, die zonder het zelf te beseffen demonische krachten hadden opgeroepen. Er was dan weinig voor nodig om hen weer met de kerk te verzoenen.

Rodney Stark (2003) geeft een kort overzicht van de heksenvervolgingen in verschillende landen. Zijn conclusie is dat de ze vooral optraden ten tijde van ernstige religieuze conflicten en in gebieden waar het centrale gezag weinig invloed had. De meerderheid van de slachtoffers had weinig vrienden of familieleden die hun dood betreurden. In plaatsen waar een heksenjacht uit de hand liep, zodat ook gerespecteerde burgers voor hun leven moesten vrezen, werd de jacht vaak definitief gestaakt. Ook het einde van de Dertigjarige Oorlog tussen protestanten en katholieken (Vrede van Münster in 1648) had een kalmerende invloed, evenals het ontstaan van sterkere en meer gecentraliseerde staten die martelpraktijken aan banden legden.







 Terug