antiek bestek

handvat antiek bestek

antiek bestek met naam

antiek bestek geboorte Willem Alexander

Bestek

Het is altijd weer leuk als men spulletjes oppiept met inscriptie erin zoals sommige van dit bestek. Te beginnen met een aantal letters zoals deze bijvoorbeeld met de naam G.Baron in de boven achterkant vork. Deze detecteerde ik bij een kasteel ergens in de buurt van den Bosch. Probeer de naam van deze man te achterhalen, via speurwerk. Terzijnertijd stel ik u op de hoogte wie deze eigenaar was die mysterieuze G. Baron. De 2e initialen in het lepeltje duiden als ik naar 't kroontje kijk op 'n prinselijk persoon. Even de letters + cijfers spellen namelijk 27-4-1967 Alexander nou zou 't niet van onze prins der Nederlanden kunnen zijn? Na wat natrekken van z’n data tevens zijn geboortecijfer klopte dit ook nog.

A few tools from the dinnertable with inscription and names. The person on The fork stands for G. Baron. And the little spoon with these letters stands for 27-4-Alexander. After some research work this is my conclusion: It belonged to the Dutch kingdom the Prins of the Netherlands prins Willem Alexander Friso. The rest are the back sides of some silver 18th century table knives.

Prins Willem-Alexander

Prins Willem-Alexander werd op 27 april 1967 met de doopnamen Willem Alexander Claus George Ferdinand geboren als eerste kind van Prinses Beatrix en Prins Claus der Nederlanden.

De Prins kwam ter wereld in het Academisch Ziekenhuis te Utrecht. Zijn vroege jeugd bracht de Prins door op Kasteel Drakensteyn in de gemeente Lage Vuursche. Prins Willem-Alexander kreeg twee broers: Prins Johan Friso (1968) en Prins Constantijn (1969). Prins Willem-Alexander volgde het lager onderwijs op de Nieuwe Baarnse School te Baarn. Aan zijn middelbare schoolopleiding begon de Prins op het Baarns Lyceum.

Prins van Oranje

Op 30 april 1980 vond de inhuldiging plaats van Beatrix als Koningin der Nederlanden. Als gevolg hiervan werd Prins Willem-Alexander als oudste kind de eerste troonopvolger en daarmee verwierf hij zich de titel Prins van Oranje, een titel die sinds 1815 aan de oudste zoon van de Koning is voorbehouden. Het Koninklijk gezin verhuisde in 1981 van Kasteel Drakensteyn naar Paleis Huis ten Bosch in Den Haag. De Prins vervolgde zijn schoolopleiding aan het Eerste Vrijzinnig Christelijk Lyceum in deze stad. Hij sloot zijn middelbare schoolopleiding af op het Atlantic College te Llantwit Major in Wales (Groot-Brittannië), waar hij in 1985 het diploma Internationaal Baccalaureaat behaalde.

Prins Willem-Alexander vervulde eerst zijn dienstplicht alvorens hij zich in 1987 inschreef bij de Faculteit der Letteren voor de studierichting geschiedenis aan de Rijksuniversiteit te Leiden. De Prins betrok tijdens zijn studie een pand aan het Rapenburg in deze stad. De studie van de Prins omvatte vakken als algemene en vaderlandse geschiedenis, economische geschiedenis, staatkunde en staatsrecht, recht van de Europese gemeenschappen, volkenrecht, mensenrechten en economie.

De Prins sloot zijn studie af met een scriptie over de Nederlandse reactie op het besluit van Frankrijk (onder president De Gaulle) om uit de geïntegreerde commandostructuur van de NAVO te treden. In 1993 slaagde de Prins voor zijn doctoraal examen geschiedenis. Op 30 maart 2001 heeft de Prins van Oranje zich verloofd met mejuffrouw Máxima Zorreguieta.

Al eeuwen lang reisden men met een lepel op zak.

In de middeleeuwen werd in Europa reizen zonder lepel als een uitdrukking van de ergste armoede beschouwd. De arme reizigers hadden een houten lepel op zak, de rijken bezaten een zilveren of een gouden lepel. Deze lepels werden in een foudraal, een op maat gemaaakt doosje, bewaard. Het was tot in de 17e eeuw gebruikelijk dat iedere gast zijn of haar eigen bestek meenam.

Het maken van goede lepels is een kunst op zich en lepels werden dan ook door de lepelmaker vervaardigd. Mes, en soms ook vork, werden elders gemaakt en gekocht. Er zijn wel tal van zilversmeden geweest die zowel lepels als vorken vervaardigden. De oude couverts bestaan daarom uit een lepel en een vork. De messen werden tot aan het einde van het gildesysteem ten tijde van de Franse revolutie door weer een andere ambachtsman vervaardigd.

Als uitdrukking van genegenheid en toewijding werd door een man vaak een bijzonder mooie, kunstig bewerkte lepel aan een vrouw gegeven, die als siervoorwerp aan de muur werd gehangen.

De 19e eeuw zag een grote groei van het aantal modellen lepels. Waar ooit een enkele lepel en vork dienst deden werd de tafel nu gedekt met sauslepels, natfruitlepels, groentelepels, soeplepels, opscheplepels, aardappellepels, punchlepels, roomlepels, mosterdlepels, dessert- en hors d'oeuvrelepels, juslepels, opengewerkte strooilepels en wat dies meer zij. De toegenomen welvaart en de grote zilverproductie maakten dat mogelijk.

In Nederland worden de voor de handel bestemde zilveren en gouden lepels van een jaarletter en een gehaltestempel voorzien.

De lepel, een nabootsing van de hand, is na het mes het oudste stuk bestek en een van de oudste gebruiksvoorwerpen.

De opgegraven Romeinse lepels hebben een kenmerkende scherpe hoek tussen steel en bak. Lepels met een scherpe punt op de steel, in het latijn heet een dergelijke voor het eten van slakken bestemde lepel een "Cochlear" waarvan het Franse "cuiller" zal zijn afgeleid, zijn overal in het rijk teruggevonden. Mogelijk werd de scherpe punt ook gebruikt voor het prikken in eierschalen, het eten van schaaldieren als alikruiken en wulken en het opprikken van lekkere hapjes. Op lepels staan vaak godsdienstige teksten en ronde punten op de steel konden het uiterlijk van een kop of dier krijgen. De gebrekkige verbinding tussen de naald en de steel maakte de Romeinse lepels minder stevig dan onze huidige lepels.

De oudste geschreven Nederlandse vermelding van een lepel, het woord is verwant aan "leppen" of "lapen" wat slurpen betekende, is in de inventaris van de nalatenschap van Floris V van Holland De graaf bezat "enen sulveren broken lepel" en "ein en twintich sulveren leijpelen".

De gewone man moest het mnder kostbare lepels stellen. Velen aten met een spaander waarvan het Engelse "spoon" afgeleid zou zijn. Houten lepels waren kostbaarder en de soms in de bodenm teruggevonden lepels die uit een plaat kopen werden geslagen waren een luxe waar een boer jaren voor spaarde. De zilveren lepels van de adel waren waarschijnlijk noch van het Romeinse model. Een zeer oude lepel voor het zalven van een konig behorende tot de Engelse regalia is in ieder geval Romeins van vorm. Ook Italiaanse lepels uit de middeleeuwen volgen nog het Romeinse voorbeeld.

Houten lepels zijn in de Nederlanden tot in het begin van de 20e eeuw gebruikt. De laatsten die daarmee aten waren boertjes op het Vlaamse platteland.

Bijzonder zijn de gedeeltelijk hourten, gedeeltelijk zilveren lepels uit de renaissance. In het Rijksmuseum in Amsterdam zijn twaaf perehouten lepels met zilveren monturen op de steel in de vorm van apostellen bewaard gebleven.

Vanaf de veertiende eeuw werden de houten lepels in de steden verdrongen door tinnen en koperen lepels. De tinnen lepels werden uiteraard gegoten terwijl koper werd gehamerd.

Zilveren en tinnen lepels met een standvoet en korte steel worden wel "medicijnenlepels" genoemd. Historisch is deze naam niet gestaafd, op schilderijen ziet men de lepels gebruiken tijdens maaltijden.

In de 16e eeuw ziet men een ontwikkeling waarbij de oorspronkelijk vijgvormige bak van de lepels steeds ronder wordt. Later wordt de bak langwerpig zoals bij moderne lepels.

In de zeventiendse eeuw deed de sierlepel haar intrede. Deze pronkstukken zijn vaker bewaard gebleven dan de dagelijks gebruikte lepels. Men gaf en kocht lepels als relatiegeschenk, herinnering aan een doop of tewaterlating. Er zijn ook in Groningen gekeurde zilveren lepels[4] met vrouwenhoofden als steeluiteinde bewaard. In Engeland noemt met dit "maidenheadlepels". Zij zouden Maria moeten voorstellen.

Hadden de eerdere lepels allen ronde stelen, in de tweede helft van de 17e eeuw ontstond een nieuw model lepel met platte steel. Daar past geen eikeltje of figuurtje meer op. De meest gebruikte steeluitenden zijn nu drielobbig en de bak is met een naald of lof vastgezet.

Vioolbak

Rond 1700 ontstaat in Frankrijk het model "pied-de-biche" met een plat uitstaand steeluiteinde waarin met enige fantasie een afdruk van een "hondepootje" kan herkennen.

In 1750 was het "vioolbakpatroon" geliefd. Deze Franse stijl waarbij de steel eerst heel smal en dan heel breed wordt is zeldzaam. In Nederland werd deze mode weinig nagevolgd.

In de late 18e eeuw wordt het steeluiteinde accoladevormig. Uit de late 18e eeuw kennen we ook klaverbladvormige en afgeronde modellen. De drukke krullerige steeluiteinden die als model "rococo" of "Louis XVI verkocht worden zijn een produkt van de 19e en 20e eeuw en de neo-stijlen. De oude bestekken zijn zonder uitzondering eenvoudig van vorm. Pas aan het einde van de 18e eeuw zien we steeluiteinden met beheerst uitgevoerde palmetten. Acanthusbladeren, al dan niet omgekruld, ziet men op Nederlandse lepels vanaf 1760.

De 19e eeuw brengt industrieel vervaardigde lepels en tal van nieuwe materialen zoals messing binnen bereik van een groot publiek. Aluminium couverts zijn rond 1850 een zeer kostbare rariëteit en duurder dan zilver. Er komen honderden modellen met geponste versieringen op de markt waarvan de parelrand, het Hollands glad en het Haags lofje zich handhaven.

Aan het eind van de 19e eeuw komt absinth in zwang. Men giet de groene drank over een suikerklontje in een glas. Ook daarvoor worden lepels gemaakt die gemakkelijk een klontje bevatten en waarin gaatjes de "groene fee" laten wegstromen.







 Terug