zakheilige of profaanheilige

Zakheilige

ONE LEADEN MARIA TRAVELERS ITEM OF RELIGION FROM THE CATHOLICS.
PERIOD: 16th CENTURY.
LENGTH: 30 MM.

EEN LODEN REISALTAARTJE VAN MARIA MET HET KINDJE JEZUS.
PERIODE: 16E EEUWS.
LENGTE: 30 MM.

KORTE MEMORIES VAN DE TILBURGSE PEERKE DONDERS
DIE ALS MISIONARIS WONDEREN VERICHTTE IN SURINAME.

Buitengewoon in het gewone

Het meesterschap, waarvan de overste sprak, was gelegen in de wijze waarop Peerke Donders zijn roeping als priester en kloosterling gestalte had gegeven. Hij wist een actief met een contemplatief leven te verenigen. De zielzorg, zo stellen degenen die zich uitlieten over Donders' spiritualiteit, vormde zijn middel tot een hogere vereniging met God. Hij leidde een nederig, bescheiden, werkzaam en sober leven , en dat gaf hem de faam dat hij zich in het gewone buitengewoon toonde. Dat maakte hem een typische redemptorist. Volgens de normen van zijn tijdgenoten moet Peerke dan ook een schier ideale geestelijke zijn geweest. Zijn biografen dichtten hem in elk geval bij die status passende kwaliteiten toe als: eenvoud, moed, ingetogenheid, geduld, voorzichtigheid, nuchterheid, opgeruimdheid, oprechtheid, ijver, vastberadenheid, invoelingsvermogen en dankbaarheid.

Ongetwijfeld zijn andere eigenschappen bij dergelijke inventarisaties wat op de achtergrond geraakt. Zo schreef de visitator bijvoorbeeld in 1882 in zijn verslag: “Geestelijke vermogens tamelijk middelmatig, zijn geheugen is goed, zijn oordeel juist en helder. Kennis tamelijk gering, maar de deugd vult aan.” En: “Geschiktheid voor het bestuur. Op zijn leeftijd zal men er niet meer aan denken hem er mee te belasten. Ik twijfel trouwens of zijn talenten hem geschikt zouden doen zijn voor een min of meer voornaam ambt.” Het is al met al bepaald aannemelijk dat zekere beperkingen voor Peerke Donders de krachtige motor vormden achter zijn niet aflatende bekeringsdrang. Zijn biografen roemen zijn onverstoorbare blijmoedigheid en onwankelbaar Godsvertrouwen. “Hoe grooter de moeilijkheden waren, des te hooger vlamt zijn ijver op.”

Opmerkelijk zijn de verstervingen die Peerke Donders zichzelf — zij het meer dan vereist en, mogelijk, gepast was — oplegde. Hij vastte drie dagen per week. In de voormiddag droeg hij enige uren een cilice en ‘s avonds geselde hij zichzelf met een koord vol spelden en nagels. Na het geselen ging hij ‘s nachts enige uren naar de kerk of de begraafplaats om er te bidden. Vervolgens sliep hij op de vloer of op een houten bed zonder matras. Pater Donders hield deze verstervingen naar verluidt verborgen. Hij wilde klaarblijkelijk geen openlijke uitzondering in de kloostergemeenschap zijn, maar hij viel natuurlijk toch op: “Vleesch at hij niet, voorgevend dat het ‘te taai’ was; geen soep, omdat ze ‘te zout’ heette; wijn gebruikte hij niet, omdat ‘hij liever water dronk’; de fel stekende muskieten sloeg hij niet af, omdat hij zeide, hun beten niet te voelen; de walgelijke lucht der leprozenhutten ademde hij zonder teekenen van weerzin in, omdat hij `er aan gewoon was'. Als men hem voorhield, dat de hitte der tropen een siësta in het middaguur noodzakelijk maakte, antwoordde hij, dat hij over vermoeidheid niet te klagen had en `gewoon' was zoo maar stilletjes door te werken.”

Naast de verstervingen zou Peerke Donders ook wonderen hebben verricht. Maar hij verbood degenen die daarvan getuige waren geweest daarover te spreken. Uiteraard voldeed niet iedereen aan deze wens en na zijn dood kwamen er heel wat wonderverhalen boven tafel. Zo bracht pater Donders op een tocht in de tentboot een storm tot zwijgen door deze toe te spreken in het Latijn, een voor de roeiers onbegrijpelijke taal. Op dezelfde manier verjoeg hij een zeekoe definitief uit de baai waarin deze door een korjaal om te duwen enkele kinderen had laten verdrinken. Verstokte zondaars werden na pater Donders’ voorzegging zwaar gestraft, zoals het volgende voorbeeld illustreert: “Een vrouw te Batavia hield eenen ongeoorloofden omgang. Toen alle berispingen vergeefsch waren, sprak Gods Dienaar: ‘gij zult sterven als een hond’. Eenige dagen daarna werd de vrouw ziek en kon niet meer spreken, maar blafte als een hond en stierf.”

Een potentiële heilige

Tijdens zijn leven hebben de redemptoristen in Peerke Donders beslist een potentiële heilige herkend. Het is de vraag of Peerke dat zelf heeft geweten. Opvallend is in ieder geval wel dat hij soms ineens afwijkend gedrag vertoonde. Zo kon de verstorven man zich plotseling wel eens extra eten opscheppen of op een vastendag een pijp roken, daarmee zijn heilige reputatie verstorend. Maar kennelijk lag het er nogal dik bovenop dat Peerke hiermee wilde voorkomen dat hij zich van zijn confraters zou onderscheiden. Dergelijk gedrag was in ieder geval geen aanleiding voor zijn oversten om hem niet langer nauwlettend in de gaten te houden. Zij troffen maatregelen om zijn faam vast te leggen. Zijn confrater in Batavia kreeg in 1882 bijvoorbeeld de opdracht Donders’ gedrag op schrift bij te houden. Ook bleek zijn overste in 1886 “eenige haren van den Eerbiedwaardigen man” te bewaren, “al sinds jaren in mijn bureau bij soortgelijke heiligdommetjes.” De provinciale overste had Donders’ brieven zorgvuldig apart gehouden.

Een nieuwe heilige in de gelederen van de redemptoristen was namelijk meer dan welkom. De congregatie beschikte over slechts één heilige, de stichter. En dat terwijl heiligen een voorbeeldrol voor de gelovigen konden vervullen en bovendien door hun wervende uitstraling nieuwe novicen voor de congregatie zouden kunnen interesseren. De Nederlandse redemptoristenprovincie was nog in volle groei en kon nieuwe aanwas goed gebruiken. Dat was de achterliggende reden van de oplettendheid van Peerke Donders’ confraters, los van hun eigen verering voor de man, die ongetwijfeld een inspiratiebron vormde. Na Donders’ dood werd dan ook vooronderzoek verricht, waaruit bleek dat zijn reputatie inderdaad onbesproken was. Dat maakte de weg vrij om een kerkelijk zalig- en heiligverklaringsproces te kunnen starten voor Peerke Donders. Want de mensen in zijn omgeving mochten dan wel vinden dat ze met een heilige te maken hadden, maar dat moest volgens de kerkelijke wetten eerst nog bewezen worden.

In 1900 gingen de zogenaamde diocesane processen van start in Paramaribo en ‘s-Hertogenbosch, de bisdommen waartoe Peerke Donders had behoord. Aan de hand van 183 stellingen en artikelen werden in Paramaribo 46 getuigen en in Den Bosch 73 getuigen gehoord. Dit was het begin van een langdurige procedure, waarvan het eerste gedeelte in 1913 werd afgesloten met de goedkeuring van de gevoerde diocesane processen door het verantwoordelijke orgaan te Rome, de Ritencongregatie. Dit bracht met zich mee dat Peerke Donders voortaan met het predikaat ‘Eerbiedwaardige Dienaar Gods’ aangeduid mocht worden. Na de diocesane processen volgden nog uitgebreide apostolische processen in 1914, 1915, 1919, 1931 en 1936. In 1938 vaardigde paus Pius XI het decreet uit dat de geldigheid van de tot dan toe gevoerde processen bekrachtigde. In 1941, 1942 en 1943 werden in Rome drie vergaderingen over het deugdenleven van Peerke Donders belegd, waarin de algemene postulator alle bezwaren tegen de kandidaat-heilige van de ‘advocaat van de duivel’ wist te weerleggen. Paus Pius XII kondigde vervolgens op 25 maart 1945 het decreet af waarin hij verklaarde dat Donders de deugden ‘in heldhaftige graad’ had beoefend.

In 1900 gingen de diocesane processen van start (coll. RHC Tilburg).

De procedure was nu in haar geheel doorlopen. Wat vooralsnog ontbrak voor de daadwerkelijke zaligverklaring waren twee in Rome goedgekeurde, dat wil zeggen niet op natuurlijke wijze verklaarbare, wonderen. Peerke Donders had inmiddels heel wat gebedsverhoringen op zijn naam staan en, naar later bleek, ook al een wonderbaarlijke. In 1929 was in Tilburg de anderhalf jaar oude Louis Westland genezen van beenmergontsteking. Na een incisie zou de wond aan zijn knietje in één nacht zijn genezen op voorspraak van pater Donders. De medische commissie in Rome, die zich in 1931 over deze gebedsverhoring boog, verklaarde tot tweemaal toe dat hier geen sprake was geweest van een wonderbaarlijke genezing. Pas in 1976 ontdekten de redemptoristen dat in de documenten die de commissie voorgelegd had gekregen, stond dat de wond binnen drie dagen in plaats van in één nacht was gedicht. Een nieuwe vergadering bracht de uitslag dat het hier wel degelijk een niet op natuurlijke wijze te verklaren genezing, een wonder, betrof.

Op 11 september 1980 besloot paus Johannes Paulus II, daarbij voor het tweede wonder ontheffing verlenend, tot de zaligverklaring van Peerke Donders, die plaats vond op 23 mei 1982. Voor een eventuele heiligverklaring zijn volgens de procedure nogmaals twee wonderen of dispensatie daarvoor op grond van een ‘constante faam van tekenen’ vereist. Het is onduidelijk of de heiligverklaring van Peerke Donders binnen enkele jaren te verwachten valt. Dat neemt niet weg dat leven en werk van de arme weverszoon en bijzondere missionaris van de Heikant nog steeds vele mensen in zowel Nederland als Suriname aanspreken. Door hen wordt Peerke Donders dan ook al als een heilige beschouwd.


Terug