Paardentuig

Verschillend Paarden Leerbeslag

18-19th Century different bronze horse leader artifacts for the good drive at a galop.

Verschillende 18-19e eeuwse bronzen paarden beslag voor in of op 't leer (tuig) om het paard goed te laten draven en mennen.

Paarden

Omdat de relatie tussen mens en paard al heel oud is, worden daarvan bij opgravingen regelmatig sporen terug- gevonden. Paarden waren onmisbaar voor de middeleeuwse mens: ze werkten op het land, trokken karren en koetsen en waren eeuwenlang het snelste transportmiddel. Koeriers en adellijke lieden reden dagenlang op hun paarden kriskras door het land en door Europa. Waren het geen zakelijke ritten, dan was het vermaak tijdens de jacht, waarbij evengoed uiterste inspanning van de paarden werd verlangd. Aansprekend zijn verschillende priksleetjes van onderkaken van paarden.

In Eindhoven zijn er de afgelopen jaren diverse van gevonden. Op twee naast elkaar geplaatste onderkaken werd een plankje bevestigd. De kaken waren door een dwarslat of dwarsplankje met elkaar verbonden. Sleetjes van paardenkaken zijn verschillende keren afgebeeld door Brueghel. Het zijn vooral de kleine kinderen die zich op het ijs met deze sleetjes vermaken. Met behulp van twee prikstokken duwen ze zich voort.

Paardentuig

Regelmatig worden bij opgravingen metalen voorwerpen van brons of gesmeed ijzer aangetroffen zoals gespen, ringen, smeedijzeren nagels of spijkers en allerlei typen haken en ogen. Ze kunnen gebruikt zijn als hulpstuk bij tuigleer, bij haam en zadel, of als beslag op karren en koetsen. In de gracht van het kasteel van Eindhoven werd een 16 eeuwse ongebroken bit gevonden. Bij het kasteel van Gagelbosch in Eindhoven is een fraaie stijgbeugel uit de 17de eeuw opgegraven.

Sporen en spoorwieltjes

Sporen werden niet alleen gebruikt om het paard aan te sporen. De sporen werden met leren riemen bevestigd op de hak van de ruiterlaarzen. In het algemeen zullen ruiters ervoor gezorgd hebben dat hun paarden niet gewond raakten door het gebruik van sporen. Regelmatig werden sporen echter ruw en onvoorzichtig gebruikt, bijvoorbeeld bij dreiging van gevaar op het slagveld.

Ook bij de jacht werden paarden soms tot uitputtende prestaties gedreven, zoals blijkt uit de notities van een ritmeester in 1655, die schrijft dat de paarden besmeurd, bloedend en met sporen bewerkt, uitgeput en afgejakkerd het hart zouden breken van alle paardenliefhebbers.

In de late middeleeuwen waren ruitersporen een uitdagend modeverschijnsel voor ridders en ruiters. Vergulde sporen vormden hét statussymbool voor de ridders. In de late 14e eeuw werd geklaagd over

Huursoldaten die vergulde sporen droegen zonder geridderd te zijn. Vrouwen droegen ze alleen bij het paardrijden als het noodzakelijk was. Sporen waren een lastig obstakel bij het dragen van lange jurken of rokken.

In de middeleeuwse stad verbleven niet alleen mensen, je kwam ook veel dieren tegen. Zo liepen er paarden, honden, huiskatten, kippen, eenden en ganzen door de straten. Maar ook varkens liepen dikwijls los over de erven, je kwam er runderen, schapen en af en toe een geit tegen die hun kostje in de tuinen bijeen moesten scharrelen. Als je goed oplette kon je nog muizen en zwarte ratten zien. In de vochtige tuinen kwamen kikkers en padden voor. En in de stadsgrachten en in de rivier de Dommel zwommen allerlei vissoorten zoals snoek, baars, voorn, paling, zeelt, brasem of karper. De dieren leefden niet alleen in de stad, ze werden er ook geslacht en te koop aangeboden op de markt. Runderen, varkens en schapen leverden het meeste vlees. Zij worden daarom met “slachtvee” aangeduid. Naast slachtvee werden in de middeleeuwse stad Eindhoven vooral, kleinere paarden, verschillende typen honden, vooral middelgrote en teckelachtige dieren en huiskatten, aangeduid met “huisdieren”. Kleine tot middelgrote honden lijken typerend te zijn voor een stedelijke omgeving.

Paarden als trekkracht op de akkers

De runderen uit de middeleeuwen waren maar klein, ze hadden schofthoogten van ongeveer 110 cm. Tegenwoordige runderen zijn zo’n 20 cm hoger. Ook de vlees- opbrengst was dus veel minder. In de middeleeuwen leverden drie runderen ongeveer evenveel vlees als één tegenwoordig rund. Er moesten dus voor eenzelfde hoeveelheid vlees drie dieren worden geslacht. Dit verschil in opbrengst geldt ook voor varkens en schapen. In de middeleeuwen waren ook deze dieren veel kleiner en slanker dan hun huidige soortgenoten. De dieren waren niet alleen dood maar ook levend belangrijk. Runderen, paarden en geiten stonden dikwijls voor de ploeg, kar of rijtuig. Tijdens hun leven was ook mest belangrijk, die werd zorgvuldig op mesthopen verzameld om de akkers vrucht- baarder te maken. Eenmaal geslacht waren naast het vlees ook de huid (leer), de haren (kwasten en borstels), het vet (brandstof, ledervet) en de botten belangrijk. De botten konden op veel manieren worden gebruikt. Er werden bijvoorbeeld knopen of allerlei handvaten en mesheften van gemaakt, maar ook onderdelen van gereedschappen.







 Terug