Pijpenkoppen

Pijpenkoppen, reutelaars en vonkenvangers

Different 18th century smokers pipes of different sizes. Christoffer Columbus started these things with fire in it.

Diverse 18e eeuwse pijpenkoppen waarvan er een van hout gemaakt is. Waarom brand die niet met de tabak erin op ??? Daarnaast ligt een 17e eeuwse pijpen reutelaar in de vorm van een hamertje. Je had deze in verschillende figuurtjes en in verschillende lengtes voor de grotere maar ook voor de kleinere kleipijpen. Het was om de laatste resten van het uitgebrande prakki tabak te lozen voor een nieuwe.

De opengewerkte koperen vonkenvanger hield het vuur in de pijp en niet op de.....deze zat verbonden met een kettingtje aan de onderpijp en die had je wederom ook in alle maten het was heel normaal voor deze 18-19-20e tijds mensen die een pijpje smoorden men kon toen de verschillende ziektes nog niet die deze vorm van alle inhalerende rook teweeg bracht.
Pas achterin de 20e eeuw kwam men veel te weten over de vele longziektes die deze rook te weeg bracht en ging men gericht te werk om de mens bewuster te maken van die blauw-grijze rook. Het werd toen verplicht om bij ieder pakje rook deze bevestiging te plaatsen met de hoeveelheid teer en van zijn inpackt.

Onze erfenis van Cristoffer Columbus buiten de aardappels om de ontdekking van Amerika.

Hoe lang er al door de mens gerookt wordt, is een vraag die waarschijnlijk nooit exact beantwoord zal kunnen worden. De prikkelende en genotvolle werking van de tabaksplant was aanvankelijk slechts bekend bij volkeren die leefden in gebieden waar de plant groeide, zoals Zuid- en Midden-Amerika. De oudst bekende afbeeldingen van rokende Maya-Indianen gaan terug tot zo'n 300 jaar na Christus! Europa maakte pas kennis met het roken van tabak, nadat Columbus in 1492 Amerika ontdekte. De ontdekking van Amerika is een gebeurtenis die allerlei wonderlijke misvattingen tot gevolg heeft gehad. Zo verkeerde Columbus in de veronderstelling dat hij in Indië was geland, en daarom noemde hij de archipel in de Caraïbische Zee West-Indië, en de bewoners Indianen. De inboorlingen daarentegen dachten dat Columbus een godheid was, en zij boden hem hun dierbaarste zaken aan, zoals kluwen katoen en bosjes gedroogde bladeren. Columbus schonk weinig aandacht aan deze onbenulligheden, want hij was op zoek naar kostbaarheden van geheel andere aard: specerijen en edele metalen, waarmee hij de koning van Spanje, zijn opdrachtgever, zou kunnen imponeren.

De Indianen gingen echter door met het aandragen van gedroogde bladeren, welke dienden om er 'cohaba' van te maken. Op 6 november maakte Columbus in zijn logboek melding van rokende inlanders:". . . Veel mannen, die een bepaald soort blad in hun handen hadden en rook tot zich namen. Dit gebeurde door het blad op te rollen en aan één kant aan te steken ...". Veel aandacht besteedden de Spanjaarden er echter niet aan: men beschouwde het verwekken van walm uit deze bladeren als een van de vele heidense gebruiken die deze volkeren kenden. Op zijn tweede reis moest Columbus op last van de Paus een aantal monniken meenemen. Een van deze geestelijken sloeg het gebruik van de gedroogde bladeren nauwkeurig gade. In een uit 1497 daterend geschrift vertelt hij dat men een pijp gebruikte met twee buisjes, voor elk neusgat één. De roker snoof de walm door deze buisjes op, waardoor hij in een staat van vervoering kwam, waar de anderen met eerbied naar stonden te kijken. Terwijl de gewone man zich namelijk tevreden moest stellen met tabak in de vorm van een pruim, mochten slechts opperhoofden en medicijnmannen de tabak daadwerkelijk roken met behulp van zo'n pijp. Van de Spaanse schrijver Oviedo weten we dat deze pijp 'tabaco' werd genoemd, en doordat de naam overging op het kruid dat werd gerookt, zou de naam tabak zijn ontstaan.

Tabak in Europa

De leiders van de ontdekkingstochten stonden meestal afkeurend tegenover het gebruik van tabak. Alleen matrozen en soldaten probeerden het wel eens, maar dat moest dan in het geheim gebeuren. Het toegeven aan dergelijke Indiaanse gewoonten werd namelijk als iets minderwaardigs beschouwd, dat dan ook streng werd bestraft. In Europa leerde men het roken van tabak vrij spoedig na deze eerste ontdekkingsreizen op Amerika kennen. Spaanse zeelui brachten een voorraadje tabak mee en vertoonden hun kunsten aan het volk. Eén van hen, een zekere Rodrigo de Jeréz, bracht zichzelf hierdoor in grote problemen. De toeschouwers dachten namelijk dat hij bezeten was van de duivel, zodat hij voor vele jaren in de gevangenis verdween. Hij mocht echter nog van geluk spreken, dat hij niet op de brandstapel terecht kwam! Daarnaast zijn er nog talrijke verhalen bekend van de eerste rokers, van wie omstanders meenden dat zij in brand stonden. Men kwam dan ook vaak snel met emmers water aandragen om het inwendige vuur te blussen. Uit bovenstaande voorbeelden mag blijken dat het lang heeft geduurd voordat tabak in Europa daadwerkelijk als genotmiddel werd gebruikt. Aanvankelijk zag men het uitsluitend als geneesmiddel dat vele kwalen, waaronder de meest ernstige, zou kunnen verhelpen. Zo rapporteerde de Franse gezant in Lissabon, Jean Nicot, in 1559 uitgebreid aan de Franse koning over het 'kruid' tabak: wanneer men hoofdpijn had, was het voldoende om een tabaksblad tegen het voorhoofd te houden, en weg was de pijn! Uiteraard berustten deze verhalen grotendeels op fantasieën, maar toen het verhaal eenmaal de ronde deed, bleek er geen houden meer aan te zijn. Overal in Europa werd tabak aangeplant ter bestrijding van alle mogelijke ziekten. Zoals gezegd werd er slechts gerookt door enkele zeelui die het tijdens hun reizen hadden geleerd. Zij wekten in het algemeen echter meer afschuw dan navolging op.

Het roken heeft tenslotte via Engeland toch zijn intrede in Europa gedaan. In Noord-Amerika werd door Engelse kolonisten tabak verbouwd in de streek Virginia. De eerste kolonisten die uit Virginia terug-keerden naar hun moederland, trokken de aandacht doordat zij uit pijpen tabak rookten. Met name het uitblazen van de rook door de neus maakte diepe indruk. Toen de stichter van Virginia, de vermaarde Engelse edelman Sir Walter Raleigh, zich bovendien een warm voorstander van het roken toonde, ging het in Londen al snel tot de goede toon behoren om aan dit nieuwe gebruik mee te doen. Zo kwamen er tabakshuizen, zoals er al wijn- en bierhuizen waren, waar men sprak van tabak 'drinken' (in Nederland noemde men het 'toeback suyghen'). Het was echter slechts weggelegd voor rijke mensen, want tabak bleef voorlopig erg duur. Het had overigens weinig gescheeld of het gebruik van tabak was weer geheel uitgebannen. Om misbruik van tabak tegen te gaan, gaf Jacobus I (koning van Engeland van 1603 tot 1625) een in het Latijn gesteld geschrift uit onder de titel 'Misocapnuc': De Rookhater. Hij ontkende daarin dat tabak enige geneeskundige kracht zou hebben. Bovendien stelde hij, dat roken een barbaars insluipsel en een gevaar voor de Engelse natie was, waardoor de standvastigheid van de Engelse mannen zeker achteruit zou gaan. Zijn onderdanen wilden echter niet luisteren en bleven doorgaan met het roken van tabak. Jacobus I werd opgevolgd door zijn zoon Karel I, die een schitterende en geldverslindende hofhouding voerde. Om deze dure hofhouding te kunnen betalen werd de tabak door hem zwaar belast, en mochten de Engelsen zoveel roken als zij wilden. Karel I werd daarmee de uitvinder van de nationale accijnsheffing op tabak.

Dat de rookgewoonte ook elders ingang vond, en ook onze eigen voor- vaderen een goede pijp tabak wisten te waarderen, bewijzen talloze schilderijen uit de Gouden Eeuw. Hierop kan men zien dat zowel thuis als in herbergen met smaak werd gerookt. Langzamerhand kreeg het roken in allerlei landen bovendien ook steun uit de hoogste kringen. Zo liep de Russische Tsaar Peter de Grote de gehele dag met een pijp in zijn mond. Na zijn terugkeer vanuit Nederland, kregen de Hollanders het voorrecht de tabak naar zijn land te mogen exporteren.


Terug