oogvondsten

Verschillende soorten pijpenkoppen

Toen de Hollander Peter Stuyvezand 1592/1672 bekend was in de omgeving New York te Amerika begon hij o.a. tabak naar holland te exporteren getuige deze elementen. ( oogvondsten van pijpenkoppen ). Peter Stuyvezand hoorde bij de eerste golf kolonisten die afgedwongen hadden het stadje New York mede dankzij anderen te annexeren. Amerika was toen nog Hollandstalig.
Afmeting: Variabel.
Periode: Variabel.

A few different tobacco pipes, the first Dutch colonists brought these items with them to smoke in the new country overseas with its name USA. The first Dutch adventurers who made the States rich with their farmland and structure of democracy. It was a fraction of time and everyone in the States spoke the Dutch language in the year anno 1700-1720 and after.

De eerste jaren van kolonisatie en van de gouden eeuw.
Rijkdom brak voor vele boeravonturiers aan overzee.

Over de doelstellingen die de WIC in 1624 bij de vestiging van de eerste kolonisten had voor de landbouw in Nieuw-Nederland is veel geschreven en gespeculeerd. Volgens de historicus Condon lag de nadruk bij de WIC hoofdzakelijk op het zelfvoorzienend maken van de kolonie. Aanvoer van voedsel voor de kolonisten was erg kostbaar en als Nieuw-Nederland een winstgevende kolonie zou worden, moesten deze kosten tot een minimum worden gereduceerd. Volgens Condon moest de landbouw in Nieuw-Nederland het hoofddoel van de kolonie, de bonthandel, ondersteunen; de boeren konden naast hun taken als voedselproducenten hierin een helpende hand bieden Van Cleaf Bachman voegt hieraan toe dat de landbouw in Nieuw-Nederland volgens hem wel degelijk commerciŽle perspectieven had. Het graan uit de kolonie kon vanwege de hoge transportkosten nooit concurreren met het graan uit het Balticum, maar er waren wel exportmogelijkheden naar de andere octrooigebieden van de WIC; BraziliŽ en West-Afrika. Jacobs beaamt dat Nieuw-Nederland als een potentiŽle graanschuur werd gezien die een prima aanvulling op de import uit het Balticum zou vormen; bij een eventuele sluiting van de Sont kon de Republiek altijd nog rekenen op graan uit de kolonie.

Wat de doelstellingen van de WIC ook waren, feit is dat de compagnie in de beginjaren van de kolonie forse investeringen deed om de landbouw een stevige basis te geven. In 1625 werden zes schepen naar Nieuw-Nederland gestuurd met kolonisten, zaaigoed, gereedschap en vee. Paarden, koeien, schapen en varkens waren van nature niet in Nieuw-Nederland aanwezig en moesten daarom vanuit het moederland worden aangevoerd. Het meest spectaculair was het transport in hetzelfde jaar van 103 stuks vee door kapitein Peter Evertsen Hulft. Deze dieren waren in de eerste plaats bedoeld om de kolonisten te voorzien van de verse zuivelprodukten die men in de Republiek gewend was, maar werden ook voor de ondersteuning van de akkerbouw aangevoerd. De paarden werden voor de ploeg gezet en de mestproductie van het vee werd gebruikt om de akkers te verrijken. Rond 1628 kwamen de investeringen van de WIC in Nieuw-Nederland op een lager pitje te staan; er vertrokken minder schepen richting het nieuwe land, vee werd niet meer aangevoerd en gereedschap en zaaigoed kwamen nog maar mondjesmaat binnen. Misschien dat de WIC van mening was dat de investeringen van 1625 genoeg moest zijn om in Nieuw-Nederland een zelfstandige landbouw op te zetten en dat verdere aanvoer van vee en andere zaken niet noodzakelijk was. De investeringsstop is misschien ook te verklaren door gebeurtenissen in de rest van het octrooigebied van de WIC. In 1628 veroverde Piet Hein nabij de kust van het tegenwoordige Cuba een Spaanse zilvervloot. Hierdoor verdween Nieuw-Nederland uit beeld bij veel bewindhebbers en kwam de aandacht van de WIC hoofdzakelijk te liggen bij Zuid-Amerika.

Het vee dat in 1625 naar Nieuw-Nederland werd verscheept, kwam na een kort verblijf op Noteneiland terecht op Manhattan, waar al snel het grootste deel van de Nieuw-Nederlandse kolonisten op geconcentreerd werd. Voor de landbouw op Manhattan had de WIC duidelijke plannen. Er werden negen boerderijen aangelegd waarover al het vee en gereedschap waarschijnlijk verdeeld werd. De bouwerijen werden door de WIC in pacht gegeven aan de boeren, die voor een periode van zes jaar gebruik mochten maken van de boerderij, de schuur, het vee en het gereedschap. Alles moest na die periode van zes jaar aan de compagnie worden teruggeven, maar de aanwas van vee mochten de boeren zelf houden. Als pacht moesten de boeren honderd gulden en tachtig pond boter op jaarbasis betalen.[20] Hoewel in de pachtovereenkomsten de nadruk ligt op de veehouderij, lijkt de akkerbouw de facto van groter belang. Na zijn aankomst op Manhattan in 1628 sprak dominee Jonas Michaelius de verwachting uit dat hij door het gebrek aan boter de hele winter op bonen en gerst zou moeten leven.

De plannen van de WIC tot landbouwontwikkeling in Nieuw-Nederland waren geen lang leven beschoren. Door grote structurele problemen moest er nog steeds voedsel geÔmporteerd worden om de kolonisten mee te voeden. Er was om te beginnen te weinig vee om de kolonisten van voldoende zuivel- en vleesproducten te voorzien. Hierdoor kon ook de zandige akkergrond op Manhattan, waarvan de kwaliteit erg tegenviel, niet goed bemest worden en bleef onkruid welig tieren. Dit alles dreef de WIC ertoe om haar invloed in de landbouw drastisch te verminderen. In 1630 verhuurde de compagnie zes boerderijen met sterk versoepelde pachtovereenkomsten. Er werd besloten het vee en gereedschap aan de boeren te verkopen. Het land en de gebouwen bleven wel in handen van de compagnie en werden verhuurd voor weer een periode van zes jaar. Ook dit systeem zou niet lang worden volgehouden.

In 1629 was intussen door de Heren XIX van de WIC een document opgesteld, de Vrijheden en ExemptiŽn, dat de weg effende voor de kolonisatie van Nieuw-Nederland door particulieren. Dit document zou de juridische basis vormen voor de patroonschappen.Het enige patroonschap dat zich in de volgende jaren zou weten te handhaven was het door WIC-commissaris Kiliaen van Rensselaer gestichte Rensselaerswijck. Van Rensselaer had voor het opzetten van zijn patroonschap meer mensen en vee nodig dan hij uit Nederland kon aanvoeren. Daarom liet hij zijn oog vallen op Manhattan: de dieren en boeren die hier op de boerderijen aanwezig waren wilde hij naar Rensselaerswijck krijgen. Het lukte hem inderdaad grote aantallen vee op te kopen. Bovendien deed de grotere vruchtbaarheid van de gronden in het patroonschap veel boeren besluiten de arme zandgronden van Manhattan achter zich te laten en een pachtovereenkomst met de patroon te sluiten. Dit betekende een grote slag voor de landbouw op Manhattan. Toen in 1638 de nieuwe directeur-generaal van Nieuw-Nederland, Willem Kieft, op Manhattan aankwam merkte hij op dat er vijf boerderijen ongebruikt bij lagen en er geen vee op aanwezig was.

Vanaf 1639 werden er pogingen door de WIC gedaan om de akkerbouw, en dan vooral de graanproductie, weer op poten te krijgen. Er waren namelijk grote graantekorten op Manhattan ontstaan en de kolonisten hier waren afhankelijk geworden van graantoevoer uit Rensselaerswijck. Aangezien er gewoon voor het graan uit het patroonschap moest worden betaald, moesten de boeren in de pachtovereenkomsten van 1639 beloven zich minder bezig te houden met het fokken van vee en meer met het verbeteren van de landbouwgrond op Manhattan en het verbouwen van granen. Het belang van de veehouderij werd echter niet uit het oog verloren en Kieft kreeg het in 1639 gedaan dat de WIC een schip vol vee naar Manhattan stuurde. De aanvoer van nieuw vee kon de WIC-boerderijen op Manhattan echter niet meer redden. In 1645 werd bij het uitblijven van voldoende agrarische opbrengsten besloten tot de verkoop van vrijwel alle WIC-boerderijen, met vee en gereedschap en al. De laatste boerderij die nog in handen was van de compagnie werd in 1651 verkocht aan Peter Stuyvesant zelf. Zodoende bevond al de landbouwgrond op Manhattan zich na 1651 in privť-bezit.


Terug