romeins beeldje

Romeins Bronzen Beeldje

A bronze Roman statue.

Romeinen...
Toen de Romeinen in de 1e helft v.d. 2e eeuw voor Christus Griekenland Veroverden. Liep ook deze laatste bloeiperiode ten einde. Soms langzaam zoals in Pergamon, soms snel en gewelddadig zoals in Corintie. De culturele invloed van de Grieken in de Romeinse wereld was echter zo groot dat de Romeinse dichter Horatius zich afvroeg wie nu de overwonnenen waren.


De mysterieuze Jozef...
Hoewel de evangeliën verrassend zwijgzaam blijven over Jozef van Arimatea, als men de levensbelangrijke rol die hij bij de kruisiging speelt in aanmerking neemt----en de rol die hij daarvoor al moet hebben gespeeld-----is het door wat hij in dat laatste uur onmiddellijk voor de zonsondergang op de eerste ‘Goede Vrijdag’ deed, dat we in staat zijn onze man op te sporen………met verbazingwekkende resultaten!

Er wordt ons verteld dat deze Jozef een rijk man was en een lid van de machtige Joodse Sanhedrin of regering ( Joods gerechtshof/raad eigenlijk )-------wat hem een man met status doet zijn----en toch, terzelfder tijd was hij ook nog eens één van Jezus’ geheime discipelen. Zelfs dit schamele beetje bevat schokkende informatie en zorgt voor twee vragen die, voorzover bekend, nooit bevredigend zijn beantwoord. Niet door de kerk of wie dan ook.

Hoe was het mogelijk dat deze man een soort van discipel van Jezus was terwijl die juist zo’n punt maakte van het onvermogen der rijken het Koninkrijk Gods binnen te gaan?

Nogmaals, als Jezus ‘missie’ werkelijk zo onschuldig was als men beweert dat hij was, waarom was het voor Jozef van Arimatea dan nodig om zijn steun aan hem en de zaak geheim te houden?

Een andere vraag die een antwoord verlangt is waarom de vermogende, belangrijke, man die zich drie jaar lang----afhankelijk van hoe lang Jezus’ missie heeft geduurd----duidelijk als een spion gedroeg, en die dus de Joodse regering verraadde, zich opeens bekend maakt en hierbij zowel zijn rijkdom als zijn leven in gevaar brengt terwijl Jezus nota bene, schijnbaar en officieel, dood was en Jozef niet meer van verdere betekenis voor hem kon zijn.? Was het uit respect voor een dode leider? Of was het uit medeleven voor zijn nog steeds levende koning?

Tot het moment dat de zon onderging had hij de uiterste moeite ondernomen zijn betrekkingen tot Jezus te verbergen en nu het moment aanbrak dat hij niet langer een levende man kon dienen maakt hij zichzelf bekend door een ogenschijnlijk zinloze daad die niet enkel in strijd was met de Joodse Wet maar wat een snelle en woeste vergelding van het Sanhedrin tot gevolg zou hebben.

En waarvoor? Enkel maar om een man die niet meer van interesse kon zijn een fatsoenlijke begrafenis te geven?

Bedenk wel dat het eigenlijk Jozef was die samen met zijn makker Nicodemus-----ook zo’n geheime discipel die mogelijk een lid was van het Sanhedrin----opmerkelijk genoeg Jezus’ lichaam van het kruis afhaalden, in plaats van de Romeinse beul wiens taak dat eigenlijk was. Het was niet zo dat zij slechts het lichaam in ontvangst namen nadat het ervan af was gehaald, maar het waren zijzelf die dat letterlijk deden! Waarom?

Was dat soms zo omdat de beul dan niet zou ontdekken dat Jezus nog leefde?

Bedenk dan gelijk dat het deze twee waren die de groep aanwezige vrouwen van Jezus’ familie opzij schoven-------wiens traditionele taak het eigenlijk was om het lichaam voor te bereiden op de begrafenis-----en zichzelf zo toebedeelden met wat eigenlijk vrouwenwerk was. Was dat voor precies dezelfde reden?

Het feit dat ze zelfs het lichaam maar aanraakten betekende dat zij zich moedwillig verontreinigden en dat ze zichzelf, een uur voordat de Pasen begon, ceremonieel onrein maakten waardoor hun deelname aan het Heilige Paasfeest onmogelijk werd. Maar dit scheen hen niets te kunnen schelen, evenmin als het feit dat nu ze zichzelf bekend hadden gemaakt ze mogelijk in gevaar konden komen.

De meest gedurfde handeling van Jozef van Arimatea----tenzij dit ook reeds van tevoren was geregeld-----was het om naar de Romeinse procurator te gaan en om het lichaam te vragen. Hun gesprek werd in het Grieks gevoerd en de beschrijving van deze gebeurtenis werd eveneens in het Grieks geschreven----Jozef had de onbeschaamdheid om Jezus’ levende lichaam te vragen (soma) waarna Pilatus hem corrigeerde en over het dode lichaam (ptoma) sprak. Hoewel het duidelijk is dat hij ervan af moet hebben geweten dat het slechts een schijnvertoning was, of hij moet het tenminste hebben vermoed, wendde hij zich tot een centurion die met Jozef van het kruis vandaan was gekomen ( Mogelijk de Romeinse soldaat Longinus, van deze wordt eveneens beweerd dat hij een sympathisant van Jezus was ) en nadat hij zich verbaasd erover had uitgelaten dat Jezus zo snel was gestorven vroeg hij de centurion of hij wel echt dood was. Hierover gerust gesteld door de centurion, die ook erg goed in het tellen van extra denarii moet zijn geweest, gaf Pilatus Jozef toestemming ………… en het grote plan kon verdere voortgang vinden!

Ons wantrouwen over dat er wel iets aan de hand moet zijn geweest wordt gesterkt door het feit dat de Joodse Wet het gebood dat niemand anders dan een specifiek daartoe aangestelde------vrouwen uitgezonderd want die telden niet mee------ een dood lichaam aan mochten raken. Daar kwam dan ook nog eens bij dat die Wet bepaalde dat wie er was gekruisigd op een schaamtevolle wijze de dood had gevonden en voor altijd door God was vervloekt ……. zoals Jezus, de zogeheten Zoon van God. Dus iedere Jood die het lijk aanraakte zou op een zelfde wijze zijn vervloekt.

Door dit alles mag men er gerust van uitgaan dat Jezus helemaal niet dood was.

De Joden hadden zo’n afgrijzen voor zulke dingen dat de volledig desolate familie van zo’n slachtoffer onaangedaan kon toezien hoe de beul het lichaam verwijderde en het in een wagen kieperde om weg te worden gebracht naar de Gehenna, waar het aan de vlammen of de straatdieren van Jeruzalem werd overgeleverd.

( Wikipedia zegt hierover: Gehenna is een Grieks woord dat in het Nederlands wordt vertaald als hel, is afgeleid van de naam van het smalle, rotsachtige Dal van Hinnom (Hebreeuws: Gej Hinnom, een afkorting van ??? ?? ?????, Gej Ben-Hinnom, het dal van de zonen van Hinnom), ten zuiden van Jeruzalem. Tijdens het koningschap van Salomo werd in de vallei Moloch vereerd met het brengen van kinderoffers onder zang en dans. (1 Koningen 11:7). Het betrof hier eerstgeboren kinderen die levend in het vuur werden geworpen, terwijl de priesters masturbeerden. In de Bijbel werd dit een gruwel genoemd en werd gezegd dat de HEER woedend werd op Salomo en hem vervloekte. De details werden echter niet opgeschreven, maar zijn bekend van de geschiedschrijving van de Ammonieten. Om die reden werd het later de plaats waar vuilnis werd verbrand. Afval, vuil en lijken van dieren en verachte misdadigers werden geworpen in het vuur van gehenna, ofwel het Dal van Hinnom. Gewoonlijk werd al wat in dit dal werd geworpen door vuur vernietigd, volledig opgebrand. Het vuur werd dag en nacht brandend gehouden met behulp van fosfor en de geur was van verre te ruiken. )

Geen hand werd er dan door de levenden uitgestoken om een gekruisigde een fatsoenlijke begrafenis te geven……wat de handeling van Jozef van Arimatea enkel maar des te opmerkelijker maakt tenzij ….



Als Jozef zijn verzoek aan Pilatus heeft gedaan op de wijze zoals de evangeliën het vermelden, dan had de gewiekste Pilatus-----die heus wel genoeg afwist van de gebruiken der Joden----hem direct gevraagd:”Waarom? Wat betekent deze man voor u?”

En wat zou daarop het antwoord zijn geweest?

De enige uitzondering die de Joodse Wet kende betreffende het verbod dat geen enkele mannelijke Jood een lijk aan mocht raken-----en al helemaal niet het lijk van een gekruisigde----was dat het ’t slachtoffers meest na staande, oudste, familielid wel werd toegestaan.

Is dit dan de verklaring? Toen Jozef en Nicodemus het lichaam van Jezus aanraakten, braken zij ofwel de wet of ze deden dit niet. Als zij dit niet deden betekent dit dat Jezus niet dood was, of dat ze nauw aan hem verwant waren en hierdoor gekwalificeerd om een uitzondering op de Joodse Wet te maken. Daar tegenover gesteld, als zij niet verwant waren en dus geen uitzondering vormden dan kan de enige verklaring ervoor zijn dat zij niet de Wet overtraden het feit dat Jezus niet dood was!

Natuurlijk kan er geen reden voor bedacht worden waarom ze niet zowel verwant aan Jezus kunnen zijn geweest als dat Jezus tevens nog in leven was!

Als zij aan hem verwant waren, op wat voor wijze zou dat dan zijn geweest? Het enige wat daar met zekerheid over kan worden gezegd is dat het noodzakelijk zeer nauw moet zijn geweest. Nicodemus kan nu echt niet meer achterhaald worden, door de afwezigheid van andere aanwijzingen. Zijn veronderstelde Griekse naam weet hem zeer effectief voor altijd verborgen te houden. Maar hoe zit dat met Jozef van Arimatea?

Nou, we kennen hem heel wat beter dan de evangeliën laten blijken----of willen toegeven-----en er zit nog meer informatie aan te komen.

Neem deze man nu eens in ogenschouw. Rijk, machtig en met goede connecties waardoor hij makkelijk gehoor vindt bij de Romeinse procurator van Judea en hij is, vrijwel zeker, de eigenaar van een zeer goed lopende Tuin die ‘Golgeth’ heet en waar men vluchtige oliën produceert. Dit alles suggereert een Hasmoneese afkomst en deze gedachte krijgt extra versterking door Lucas 23:50-52 waarin over Jozef staat:

“En zie, een man genaamd Jozef, die Raadsheer was, een goed en rechtvaardig man - deze had niet ingestemd met hun raad en bedrijf – van Arimatea, een stad der Joden, die het Koninkrijk Gods verwachtte, deze ging naar Pilatus en vroeg hem om het lichaam van Jezus.”

En hiermee lijkt het zonder twijfel dat hij inderdaad van de Hasmoneese clan was. De verwijzing naar hem in Lucas kan enkel maar betekenen dat hij eveneens een Messianist was, wat een tamelijk duidelijke en beknopte omschrijving van de Hasmoneeën betrof, die veel zei in weinig woorden.

Het gegeven dat een Hamoneeër ‘in de handel’ zat is niets anders dan een herformulering van de historische feiten. Flavius Josephes----die zelf een Hasmoneeër was----weet ons te vertellen dat toen Herodes de Grote zeventig jaar daarvoor hun troon stal deze ook een groot deel van hun onroerend goed ‘erfde’, inclusief een goed lopende balsemtuin in de buurt van Jericho. Uit dit kan men concluderen dat de Hasmoneeën een aardige oliebusiness hadden opgezet. De vijandigheid die er bestond tussen Josephes en een man die Johannes van Gischala heette---een andere Hasmoneeër----was te wijten aan de jaloezie van de historicus op de listige Johannes die een monopoliepositie op de olijfoliebusiness in heel Galilea bezat. Als het al niet over geheel Judea ( Palestina dus ) was., en daarvan kon incasseren.

Wat Herodes’ geërfde extraatje waard moet zijn geweest wordt aangegeven door wat er gebeurde toen Marcus Antonius het van hem af nam om de hebberige en wellustige Cleopatra tevreden te stellen. Herodes zag er niet tegenop het van haar terug te huren voor een jaarlijkse huurprijs van 200.000 Euro….waardoor men vast mag stellen dat het een aardig opstekertje moet zijn geweest En vergeet niet dat het wel tweeduizend jaar geleden was!

Misschien was het enige Hasmoneese onroerend goed waar zelfs Herodes niet aan durfde te komen, omdat de heilige familietombes zich daar bevonden, de ‘Koningstuin’ in het dal van de Kidron. Wat we hebben weten te identificeren als zowel de ‘Tuin van Zadok’ als de ‘Jasmijntuin’

Wat ligt nu meer voor de hand dan dat de overlevenden van de Hasmoneese clan zich volledig op de oliebusiness hadden gericht als de enige manier om henzelf van inkomsten te voorzien nadat hun troon en andere bronnen van inkomsten van hen waren gestolen. Hun bezit van een groot deel van de Kidron vallei voorzag hen van een perfecte locatie, direct naast de Tempel.



De waarschijnlijkheid dat Jozef van Arimatea een naast familielid was van Jezus wordt gesterkt door een ander vreemd kenmerk in zijn vermeende gedragingen; namelijk zijn bereidheid om de dode Jezus in het voor hemzelf bestemde graf te leggen. Dit was een handeling die voor de Joden gelijk stond als ‘buitenaards’. In die dagen was het volstrekt ondenkbaar en weerzinwekkend dat enige Jood het willens en wetens toestond dat hijzelf in een andere dan in zijn eigen familietombe werd begraven. Wanneer de tijd voor hem kwam om te sterven, hoe ver hij zich ook van zijn thuis mocht bevinden, dan spoedde de Jood zich naar het familiedorp en kroop hij de voorouderlijke tombe in.

Wat nog veel interessanter daaraan is, de Jood had in die dagen een nog veel grotere weerzin om een vreemde in zijn eigen tombe bij te zetten. Daar ‘vreemde’ betekende dat iemand niet van de eigen familie was, zou Jozef Jezus een plaats in zijn eigen tombe hebben gegeven als ze niet nauw aan elkaar verwant waren geweest? Dit is wel zo onwaarschijnlijk dat het praktisch een garantie inhoudt dat ze van dezelfde komaf moeten zijn geweest.

Een niet onaanzienlijk deel van het mysterie wat Jozef van Arimatea omgeeft werd geschapen door wetenschappers die in zijn naam een aanwijzing zochten voor waar hij vandaan moest zijn gekomen. Er is enorm over geargumenteerd maar de zaak werd uiteindelijk opgelost door voor de plaats Rentis te kiezen, in het heuvelachtige Samaria. Dit werd gerechtvaardigd door het eerste deel van zijn naam, Arima, als aanwijzing te zien en te beweren dat dit was herleid van ‘Rama’, ‘Rumah’ of ‘Ramah’ wat allemaal zoveel als ‘een hoge plaats’ betekent.

Alhoewel het waar is dat dit inderdaad bergachtig of heuvelachtig land betekent houdt het eigenlijk veel vaker ‘plaatsen van religieuze rituelen’ in.. Deze deftige omschrijving verbergt een oude heidense gewoonte om een gigantische fallus op te richten en zo hun God of hun goden of vruchtbaarheid te aanbidden. Toen het onder zekere invloeden wat keuriger begon te worden kromp de fallus in tot louter een hoopje stenen en werd zo uiteindelijk het bekende altaar.

( Uit bovenstaande wordt dan gelijk duidelijk dat de schrijver niet veel afweet van deze gebruiken en ook net niet genoeg afweet over de oude religieuze gebruiken der Hebreeën. Het stapeltje stenen stamt waarschijnlijk al uit de tijd van aarsvader Jacob, die op de plaats waar hij een droom kreeg van een ladder waarlangs Engelen afdaalden en weer omhoog gingen waarbij hij de zin hoorde:”Dit is een ontzagwekkende plaats. Dit is het Huis Gods en de poort naar de hemel.”. Nadat hij ontwaakt was legde hij toen een steen op deze plaats neer om de plaats te kenmerken en deze plaats zou later Bethel, het ‘huis van God’, worden genoemd. Maar op andere plaatsen waren soortgelijke heiligdommen te vinden, in principe geldt dat zelfs voor Jeruzalem waar de Tempel op de berg Moria als heilige plaats werd neergezet, geheel in de stijl van Bethel. Aan de hand van informatie in het Oude Testament weet men dat op deze heilige hoogten nog lang Hieros Gamos rituelen, oftewel het ‘Heilig Huwelijk’ waarin het mannelijke en het vrouwelijke zich verenigden door middel van sacrale seksualiteit, werden voltrokken die men later voor pure vruchtbaarheidsriten zou gaan verslijten. Dit is echter niet het geval en het betreft een ritueel wat bij de oude Hebreeën nog gewoon bekend was, zelfs tijdens de uittocht uit Egypte onder Mozes en daarna. Pas na de Babylonische ballingschap en enkele zeer ingrijpende hervormingen van het Hebreeuwse geloof, door bijvoorbeeld. Josia, zouden deze gebruiken afgeschaft worden en als heidens worden afgeschilderd.

Dit gebeurde vooral door de inwoners van Judea, die degenen waren die het Oude Testament op schrift zouden zetten. De Israëlieten, dat wil zeggen de inwoners van de overige landstreken Judea uitgezonderd, hadden hier nooit helemaal vrede mee kunnen vinden en bleven vaak samenkomen op hun heilige hoogten, tot groot verdriet van de Judeeërs en zekere van hun profeten. Dat was tevens één van de voornaamste redenen dat Judeeërs, degenen die het JOODSE geloof de naam zouden geven, neerbuigend deden over Samaritanen, Galileeërs, Idumeeërs enzovoort.

Men maakt echter een grote fout als men ervan uitgaat dat alle inwoners van Palestina, alle voornoemde streken inclusief Judea, precies hetzelfde geloof hadden want dit was niet zo. Door een speling van het lot was het echter het geloof der Judeeërs, oftewel het Joodse geloof, dat als enige zou overblijven. Vooral na de diaspora. Maar eigenlijk mag men er niet zomaar vanuit gaan dat dit het fundament van het door Mozes verkondigde geloof was, want dit is niet zo! En zo blijft dan enkel nog de zeer intrigerende vraag over hoeveel van Jezus’ religieuze overtuigingen, en die van zijn naaste volgelingen, meer de Israëlische versie van het door Mozes geïntroduceerde geloof betroffen dan de zo bekende Joodse overtuigingen. Doordat Jezus zowel een politieke als een religieuze missie scheen te hebben zat er een grote verscheidenheid onder zijn volgelingen. Er leken er genoeg bij te zitten die voorstander waren van de Joodse doctrine, Petrus bv., maar er zijn er ook die meer naar de Israëlische versie neigden. Philippus, Thomas, Maria Magdalena, Johannes...en wie weet ook Jozef van Arimatea. Maar dat wordt verderop wel duidelijker )

Deze ‘hoge plaatsen’ verwezen eerder naar de aard van aanbidding of de manier waarop men er rituelen hield dan op de locatie, en ze werden mogelijk net zo vaak opgericht op vlak land als dat in heuvelachtig land gebeurde. ( hier gist de schrijver omdat hij er geen kennis over heeft )

Er is echter een barst met nog fataler uitwerking in de identificatie van Rentis als de stad van Jozef.

Ondanks Jezus’ barmhartige houding tegenover de Samaritanen werden deze mensen veracht en als weerzinwekkend beschouwd door de Hebreeën. ( Wederom maakt de schrijver hier een fout in de wijze waarop hij de mensen omschrijft. Hij schrijft Hebreeën maar bedoelt per definitie de inwoners van Judea. ) Als Jozef tot dit volk had behoord dan zou hij zeer zeker niet een lid van het Sanhedrin zijn geweest om te regeren en oordelen te vellen over de door God uitverkoren Joden.

( Hier heeft de schrijver natuurlijk wel weer gelijk in. Dit lijkt wat minder waarschijnlijk zij het dat het niet onmogelijk is. Want de Galileeërs werden evenmin hoog aangeslagen en toch zaten er Galileeërs in dat Sanhedrin en kwam de Hasmoneese ‘koningsfamilie’ eveneens uit Galilea. )

Als men beweert dat Jozef eigenlijk in het ‘geheim’ een Samaritaan was, net als dat hij een ‘geheime’ leerling van Jezus was, dan kan dit eenvoudig onderuit worden gehaald door het simpele feit dat als de wetenschappers tweeduizend jaar later het voor elkaar kregen hem te identificeren aan de hand van zijn Samaritaanse naam dan moeten zijn tijdgenoten dat nog veel makkelijker hebben kunnen doen.

Het lijkt er dus op dat we ergens anders moeten gaan kijken naar de thuishaven van Jozef.

Stel dat we, in plaats dat we een aanwijzing in een deel van zijn naam te gaan zoeken, zijn gehele naam nemen en op zoek gaan naar een dorp met dezelfde, of een gelijksoortige, naam die er in het 1ste eeuwse Judea ( Palestina!! ) kan hebben bestaan. Als Jozef, zoals wij zeggen, een naast familielid van Jezus was dan kijken we eerst in Galilea en in het bijzonder naar de vlakte van Gennesareth waar, zeggen we opnieuw, ooit het dorp lag waar Jezus geboren werd----‘en Nasira’----wat spoedig zou worden opgeslokt door het drukke en zich snel uitbreidende Capernaüm.

Daar families in die tijd samenhokten in hetzelfde gebied vragen we ons af of er ooit een stadje of dorp in de vlakte van Gennesareth was wat geïdentificeerd zou kunnen worden als Arimatea.

En dat was er!

Enkele omgevallen stenen die in het gras dichtbij de authentieke locatie van Capernaüm liggen is alles wat er over is gebleven van de oude stad ‘Areimeh’, wat een veel plausibeler plaats lijkt vanwaar een Arimateeër kwam dan Rentis in het verfoeilijke Samaria.

Nu we Jozef met redelijke zekerheid terug hebben kunnen volgen tot Areimeh moeten we nu zijn werkelijke verwantschap met Jezus nog zien te achterhalen. Als we datgene erbij betrekken wat tot nu toe aan de orde is gekomen over deze ‘vreemde’ man, dan lijkt de gedachte niet onredelijk om hem als een oom van Jezus van vaders zijde te zien, en dus als een broer van Alpheus -Klopas-Cleophas-Jacobus.

Daar we van slechts één man afweten dat die een broer was van Jezus’ vader, is er slechts weinig anders dat we kunnen doen dan Jozef van Arimatea te identificeren met die zelfde Jozef die ooit de verloofde van Maria was. Van wie hij zou scheiden door een geheime ‘git’ nadat hij had vastgesteld dat zij zwanger was van een andere man, en wel van zijn eigen broer Alpheus.

Hoewel we nog niet helemaal klaar zijn met Jozef van Arimatea gaan we nu even naar die unieke vreemde groep van oude tombes die nog steeds in het dan van de Kidron staan tussen de oostelijke muur van de Heilige Stad en de Olijfberg. Langs degene lopend waarvan men zegt dat die aan Zacharias, de vader van Jezus’ neef Johannes de Doper heeft toebehoord, komen we zo dan aan bij de tombe waarvan men zegt dat die van Jezus’ boer Jacobus was en staren we daar naar, al speculerend…..

Waarom staat deze kleine groep van onderling verbonden tombes hier? Waarom zijn deze zo weelderig, vergeleken met de duizenden anderen die eromheen staan en die er zo gewoontjes uitzien? Als er ooit nog anderen waren die er even indrukwekkend uitzagen, waarom zijn die dan verdwenen en zouden enkel deze----waarvan men zegt dat ze van de leden van één ‘familie’ waren----overblijven? Was dat soms omdat die ‘familie’ die was van de Hasmoneese koningen?

De aan Jacobus toegekende tombe staat als een in Grieks-Romeins stijl gebouwd , verhoogd, bouwsel wat letterlijk uit een uitstekende rotswand is gehouwen die het aan drie zijden omringt. Laag aan de voorkant ervan bevindt zich wat ooit de originele ingang met zijn geweest waar, op een dag lang geleden, een afgedankt stenen perswiel voor moet hebben gerold. Op vrijdag de ene kant op en op zondag de andere kant op.

De bewering dat dit werkelijk de tombe van St. Jacobus was wordt aangevochten door sommige wetenschappers die daar tegenin brengen dat hij aan ‘bene Hezir’ of de ‘zonen van Hezir’ toebehoorde. Dat was een priesterlijke familie wiens stamboom op zijn minst teruggaat tot 480 v. Christus, toen velen van hen die naar Babylon waren gedeporteerd uit hun ballingschap terugkeerden naar Jeruzalem.

Nu bestaat er geen twijfel over dat alles wat er over ‘Hezir’ wordt beweerd ook werkelijk zo is, het was in feite de zeventiende in lijn van belangrijke personen en was hierdoor de op drie na laatste van de twintig families die als enige hun genealogie konden bewijzen na hun terugkeer uit ballingschap.

Om echter vol te kunnen houden dat het hun tombe was, dat is het onmogelijke beweren want de bouwdata stammen slechts uit de 1ste eeuw AD…..en dat was toen Jozef zijn tombe had laten bouwen in dit gebied. De tombe omschrijven als die van de ‘Zonen van Hezir’ kan te wijten zijn aan het niet begrepen hebben wat ‘bene Hezir’ werkelijk betekende. Want dit kan ook vertaald worden als ‘Zonen van de Kroon’ en dit opent dan gelijk interessante nieuwe mogelijkheden.

Zonen van elke kroon?

De Hebreeuwse ‘hezir’ was het dunne gouden ringvormige ding wat op het hoofd gedragen werd door een Israëlische koning die ten strijde trok, en datzelfde embleem werd door de Hogepriester op het voorhoofd gedragen.

Enkel de Hasmoneeën waren beiden ineen!

Door Jezus en zijn broer Jacobus----die zeker Hogepriester was voor hij zou sterven---- als vooraanstaande leden van de Hasmoneese familie te beschouwen, wat wij dus doen, en ze zodoende te zien als ‘Zonen van de kroon’ , dan spreekt het argument dat de tombe de ‘bene hezir’ toebehoorde eerder in het voordeel ervan om het als het graf van St. Jacobus te identificeren dan ertegen. Als het van Jacobus was dan moet het----zij het tijdelijk----daarvoor dat van Jezus zijn geweest en oorspronkelijk door Jozef van Arimatea voor zichzelf zijn gebouwd .

Maar waarom bouwde Jozef zijn tombe dan hier in Jeruzalem, in plaats van in Galilea in Areimeh vlakbij Capernaum?

Uit de stad en de streek verdreven door de spot die er was ontstaan door zijn gedwongen scheiding en de duidelijke positie waarin Maria verkeerde------en een bedrogen echtgenoot krijgt nog steeds het nodige gegrinnik te verwerken in welke gemeenschap dan ook tweeduizend jaar later------moet Jozef het stof van Gennesareth van zijn voeten af hebben geschud. Een nieuwe basis opbouwend in Jeruzalem begon hij een nieuw leven wat voorspoedig verliep en hem burgerlijk aanzien gaf. En zo zouden dan vele jaren voorbij zijn gegaan totdat hij de zoon van zijn broer zou ontmoeten……de zoon van Maria, waar hij eens zo van had gehouden. Was het niet een natuurlijke gang van zaken voor elke vrome Jood om gelijk de familiebanden te voelen trekken, waardoor het bloed sneller ging stromen en hij eerder warmte voelde dan dat hij zich overgaf aan de ijzige rillingen van jaloezie?

Als Hasmoneeër zou hij natuurlijk diegene ondersteunen die door hen als Koning werd beschouwd, ongeacht z’n persoonlijke verstandhouding met deze persoon.

Desalniettemin kan er naar het aandeel van Jozef van Arimatea in het complot enkel maar worden geraden, het misleidde uiteindelijk niet enkel het Joodse Sanhedrin en de Romeinen maar ook alle Christenen sindsdien; de mysterieuze Jozef dus....


 Terug