romeinse riemsluiting

Riemsluiting/gordelsluiting

TWO ROMAN MESSING BRONZE BELT LOCKERS IN THE SHAPE OF A CELTIC CROSS.
APPROX 50 B.C.-4TH CENTURY.
SIZE: 30 MM. ORIGINAL LENGTH.
TWEE NEDERLANDSROMEINSE TIJDSE BRONS-MESSING RIEM OF GORDELSLUITINGEN WAARVAN
ER EEN IN DE VORM VAN EEN KELTISCHE KRUISSLUITING DE ANDER MIST DE PLAAT WAARTUSSEN
DE RIEM GEBORGT WAS.
PERIODE WAARSCHIJNLIJK: 50 B.C.-4E EEUWS A.D.
AFMETING KRUIS: 30 MM. TOTALE ORIGINELE LENGTE.

ONDER DE WAPENEN BIJ DE ROMEINEN DEEL 2.
DE LEGIONAIR

EIGEN WAPENS ZOALS DE: gladius, pugio en scutum

Tot het begin van onze jaartelling, zijn de milites uitgerust met een lorica hamata. Dan krijgen zij ook de beschikking over de lorica segmentata, die betere bescherming bood, ook tegen slagwapens. Ze dragen verder een cassis (helm), scutum(schild) en caligae (zware sandalen) en een balteus, een riem (vgl het Engels belt, de riem wordt ook vaak cingulum genoemd). Verder zijn ze uitgerust met een pilum (werpspeer), of soms een hasta (lans), een pugio (dolk) en een gladius (kort steekzwaard). De uitvoering van deze basisuitrustingsstukken van de milites is zeer uiteenlopend, omdat ze deze zelf moeten bekostigen. Tevens hoorde de pugio niet tot de standaarduitrusting, omdat deze door de legionair zelf betaald moest worden. Het verbaast ons dan ook niet dat de uitrusting van de officieren veel beter en rijkelijker bewerkt is dan die van een simpele miles. De miles draagt dan ook extra zorg voor zijn uitrusting, omdat een nieuwe helm een klein fortuin zal kosten. Helmen gingen, duur als ze waren, vaak van hand tot hand, wat blijkt uit de verschillende namen van gebruikers die in veel helmen zijn terug te vinden. Er zijn helmen gevonden met wel drie namen. Het onderhouden van je lorica kan bovendien je leven redden op het slagveld, want een slecht onderhouden lorica segmentata valt sneller uit elkaar. Ze doen bovendien waar mogelijk zelf herstellingen aan hun uitrusting om kosten te kunnen besparen. Hetzelfde geldt voor de sandalen: de spijkers waarmee deze werden beslagen dienden door slijtage vervangen te worden; een klusje dat door de manschappen zelf werd uitgevoerd. Hiervoor kregen de soldaten overigens wel 'spijkergeld' Het is bekend dat in ieder geval één maal gestaakt werd, omdat op dit spijkergeld bezuinigd werd.

Dagelijks leven

De dagelijkse karweitjes verschillen van diegene die in de provinciae verblijven en zij die in Italië gelegerd zijn. De troepen uit de provinciae klagen dan ook vaak dat zij de zwaarste taken hebben. In vredestijd moet de gewone soldaat zowel aan wapendril, conditietraining, wachtlopen, wapens, gereedschap en militaire gebouwen onderhouden en reinigen. Daarnaast doet men administratieve zaken, maar ook begeleidt en bewaakt men handelstransporten van zowel de keizer als van private burgers, neemt politietaken waar, bestrijdt roversbendes, brengt civiele berichten over, haalt belastingen op en moet soms zelfs meehelpen aan bouwwerken voor de burgerij. De immunes zijn vrijgesteld van deze taken om zich te kunnen wijden aan gespecialiseerde zaken in de administratie, ateliers of dergelijke.

Taken in oorlogstijd

Op het slagveld is de belangrijkste taak van de miles het volgen van het signum legionum, zijn pilum en hasta te slingeren als daartoe het bevel wordt gegeven, zijn gladius te trekken en te vechten. De signifer (vaandeldrager) krijgt zijn commando's door signalen van de hoornblazers. Onderweg, tijdens een campagne, is hij onderworpen aan de marsorde. Per acht man is er een tent, die door de miles zelf wordt meegedragen. Verder dragen zij proviand. Tijdens de mars wordt elke avond een versterkt marskamp gebouwd, inclusief een fossa (gracht) en vallum (omwalling). De contouren van een marskamp uit de vierde eeuw na Christus is op de Ermelosche Heide nog steeds te zien.

Taken in vredestijd

Behalve de taak op het slagveld, zijn er nog vele andere functies die de gemiddelde miles vervult. Hij is bouwvakker, graaft sloten, grachten en kanalen, legt wegen en bruggen aan en vervult daarnaast zijn corvee. Verder treedt hij op als inner van belastingen, patrouilleert hij de limes en treedt op als ordehandhaver in de provinciae.

Vrije tijd en ontspanning

Maar naast deze klusjes is er ook tijd voor ontspanning want de meeste opstanden en samenzweringen ontstaan wanneer soldaten niets om handen hebben. Daarom konden er sportwedstrijden tussen de soldaten worden gehouden, maar evengoed gladiatoren- of andere soorten spelen. Ook zijn er de vele religieuze festiviteiten die het soldatenleven structureren. In de buurt van de castra wordt er soms ook gejaagd, dat naast ontspanning ook wat variatie in het menu kan brengen. De soldaat kan zijn partner, gezin, of "gezelschapsdame" gaan opzoeken buiten de diensturen in het nabijgelegen dorp, de canabae legionis die meestal bij de grotere castra wordt gevonden. Hier zijn kroegen en hoeren te vinden, maar ook handwerkslieden, veteranen, en gezinnen van de miles.

Godsdienst

Legionairs hebben de naam bijgelovig te zijn, maar in feite verschillen ze niet veel van de gemiddelde Romein. Inscripties op altaren laten zien dat niet alleen Romeinse goden aanbeden worden, maar ook vaak lokale godheden. Nehalennia is hiervan een goed voorbeeld. Als een lokale god in de interpretatio Romana kan worden vereerd, slaat men zelfs twee vliegen in een klap. Vanaf de late tweede eeuw na Christus wordt de Mithrascultus populair in het leger.

Rangen en standen
De kleinste eenheid in het Romeinse leger is het contubernium, acht man onder leiding van een decanus, die te velde samen in een papilio een zware leren tent sliepen. In de vaste kwartieren wordt deze indeling in de regel gehandhaafd. Tien contubernia vormen een centuri onder leiding van een centurio, die wordt bijgestaan door de optio centuriae. De optio werd gekozen uit de manschappen. Met de hogere officieren zal de gemiddelde miles slechts weinig contact hebben gehad.
Carrière

Een soldaat die een ambacht beheerste of kon rekenen, lezen of schrijven kon carrière maken. Allereerst als immunis. Die was vrijgesteld van corvee. Bij gebleken geschiktheid, kan de miles bevorderd worden tot de onderofficieren in een centuria, de principales. Dat waren: wachtcommandant (tesserarius), vaandeldrager (signifer) of optio met bijzondere taken. Deze rangen zijn "sesquiplicarii" of duplicarii, die anderhalf of dubbele soldij ontvangen. Via de rang optio ad spem ordinis kan de miles uiteindelijk opklimmen tot centurio en met veel geluk en inspanning zijn carrière zelfs beëindigen als (bijvoorbeeld) praefectus castrorum (kampcommandant), praefectu fabricae (commandant van de genie) of praefectus equitem (commandant van de ruiterij). In de praktijk was hij dan zo welvarend dat hij als eenvoudig burger aanspraak kon maken op inlijving in de romeinse lagere adel.

De wacht (vigiliae; stationes)

Elk Romeins legioen stelt meerdere wachten aan om de castra te bewaken voor of bij de vallum (omwalling) en fossa (gracht) of toren en om hoge officieren te bewaken. Elke wachtpost bestaat uit vier man waarbij elke centurio twee mannen uit zijn centuria levert. Wanneer iemand zijn wachtpost verlaat of vergeet, wordt hij na een grondig onderzoek afgeranseld of doodgeknuppeld door zijn strijdmakkers (fustuarium). De dag is ingedeeld in twee wachtbeurten van zes uur (excubiae) en de nacht in vier wachtbeurten van drie uur (vigiliae). Een centurio meldt wanneer een beurt erop zit en een nieuwe begint. Elke centuria had een onderofficier voor de wacht, de "tesserarius". Hij was verantwoordelijk voor de controle op de waakzaamheid en het verdelen van het dagelijkse wachtwoord. Dit stond geschreven op een plaatje, een "tessera", vandaar de naam.

De veteranen (veterani)

Veterani (veteranen) zijn zij die hun diensttijd hebben uitgedaan of een voortijdig eervol ontslag (missio causaria of honesta missio) op individuele basis ontvingen van de keizer. Dit gaat gepaard met een feest waarbij men aftelt ad signa (bij de veldtekenen). Ze ontvingen een praemia militiae (beloning voor hun krijgsdienst) uit de aerarium militare (veldschatkist) van 12.000 denarii voor een gewone soldaat en 20.000 denarii voor een Praetoriaan. Het aerarium militare is in 6 n.Chr. door Augustus ingesteld om veteranen in plaats van land, geld te schenken. Soms laat hij nog systematisch land toewijzen aan veterani waardoor er coloniae (cf. nederzettingen) ontstaan. Na zijn dood neemt dit gebruik af en zal voor het laatst gedaan worden door Hadrianus ergens in de provinciae. Deze missio agrari blijft voortbestaan in de vorm van persoonlijke toewijzing van grond aan veterani door de princeps. Ze ontvangen ook een ontslagbewijs (tabulae honestae missiones). Bij een crisissituatie in het rijk kunnen veterani teruggeroepen worden als evocatus. Ze worden dan ingedeeld in aparte cohortes en dienen als aanvulling van de legioenen. Daarom wonen ze meestal in de buurt van hun vroegere standplaats of geboortestreek. Daar gelden ze als honestiores (eerbare mannen) en bekleden er vaak hoge posten in de verstedelijkte gebieden. Wanneer er geen verstedelijkte omgeving in de buurt van hun oude castra is, worden ze gewoon opgenomen in het kampdorp en genieten er - tezamen met hun familie - een elitestatus.

Financiën (pecuniae)

De miles hebben de beschikking over een eenvoudig banksysteem. Men kan bij de signifer geld storten en opnemen uit een gemeenschappelijke kas. Hiervan wordt nauwkeurig boek gehouden en ook de bijdragen voor voeding, onderkomen en uitrusting worden met deze kas verrekend. Uit Egypte zijn ons enkele afrekeningen op papyrus bekend uit de tweede eeuw na Christus.

Inkomen (stipendia en donativae)

Het loon van de gewone soldaat is in 14 na Christus 250 denarii dat uitbetaald wordt in de vorm van een stipendium (beloning) per jaar. Keizer Domitianus zal aan het einde van de eerste eeuw het bedrag verhogen naar 300 denarii. Later zal het bedrag verdubbeld worden door Septimius Severus, Caracalla en Maximinus Thrax. Daarbovenop komen nog de donativae (schenkingen) die uitgereikt worden bij belangrijke gebeurtenissen zoals na een veldslag of bij een troonswisseling of verjaardag van de princeps. In sommige tijden wordt ook plundering als legitieme bron van inkomsten gezien. Daarnaast hadden soldaten in vredestijd vanuit het kampement de mogelijkheid voor lucratieve handeltjes met de bevolking.

Uitgaven

Een Romeins legionair heeft veel uitgaven. Zo moet hij zelf zijn uitrusting, onderkomen en voeding bekostigen. Dit wordt verrekend met het saldo bij de signifer. Ook kan hij zijn corvee afkopen. De centurio's ontvangen een behoorlijk bedrag om karweitjes aan anderen toe te wijzen. Soms is het ook mogelijk om lokale werkkrachten in te huren. Tot slot moet er nog een bijdrage geleverd worden aan de collectieve begrafenisverzekering die de Romeinse legionairs afsluiten.

Muiterij onder de soldaten

Muiterij in het Romeinse leger is zeker geen zeldzaam geval en de invloed die de hervormingen van Marius en Octavianus hebben op de gewone soldaten is een niet te verwaarlozen element. Want vanaf nu zijn de gregarii milites wel plebejers zonder land en zelfs uit de provincies, maar ze hebben allen ook burgerrecht en kunnen doorwegen in de politiek belangrijk geworden volksvergadering. Daar bovenop worden ze nog eens voor hun dienst bezoldigd door de staat. Ontevreden soldaten kunnen petities indienen bij hun directe oversten of zelfs rechtstreeks bij de princeps via bodes die dan de eisen moeten overbrengen. Toch voelen legioenen in de provincies zich te min gedaan. Hun - republikeinse onbezoldigde - voorgangers moesten slechts 16 jaar dienen in plaats van 20 en zonder teruggeroepen te kunnen worden en de Praetoriaanse garde wordt beter betaald voor lichter werk, geniet meer aanzien én moet maar 16 jaar dienst kloppen. Zo krijgen de opstanden in het Romeinse leger dus een socio-politiek tintje. Vandaar dat er vooral bij belangrijke politieke keerpunten of zware oorlogscampagnes opruiingen ontstaan. Opstanden worden echter niet zo streng aangepakt dan die andere vorm van ongehoorzaamheid: desertie. Bij desertie kon men bestraft worden met de decimatio, waarbij door loting elke tiende man wordt geëxecuteerd. Door de politieke kant van de zaak ontstaan er vanaf het begin van het principaat vaker opstanden onder leiding van enkele personen die als woordvoerders fungeren. Opvallend is het feit dat de meeste gevallen van rebellie ontstaan in tijden van - relatieve - vrede. Toch komt het Romeins leger over als enorm gedisciplineerd. Dit komt mede doordat Romeinen muiten als een mogelijk recht zagen, maar deelname aan de strijd als een plicht.

DEEL 3 ONDER DEWAPENEN BIJ DE ROMEINEN IN 404 OP ROMEINS


 Terug