Metaaldetector vondst Romeinse spatel

Bodemvondst Romeins spateltje

Romeinse Spatel

One complete silvered Dutch-Roman period metal detecting find named operative scalpel. A heling instrument used by the Roman doctors (surgeons). This scalpel has on both sides a knife. The right one was made of iron and the left side was made of bronze. So the surgeon could make a sharp cut into the human flesh and could operate the person. And they had always the same answer at that Roman time; the operation was successful but the patient tragically died.
Period 1st-5th century A.D.
Total length fragment without the correct blades or intact knife blades now 83 mm but with the original blades it was longer.

The total length fragment without the new blades or knives = 83 mm the original size was longer.


Een compleet Nederlands-Romeinse periode verzilverde chirurgische scalpel met aan twee kanten een mes. Aan de rechterkant zat een ovaal ijzeren mes. Het zat tussen de bronzen delen verklonken met klinknagels. Heb ongeveer de grote van het vroegere originele ijzeren blad of mes nagetekend voor Ďt idee hoe het voorheen was. Aan de linkerkant zat een vierkant scherp blad of mes dit was meegegoten met zijn geboorte van medisch instrument. Als je goed kijkt zie je daar voorin een 3 mm. naad lopen en dan over de lengte van 3cm naar achter toe. Uiteraard hebben ze dit ten tijde goed scherp gemaakt. Heb gepoogd via een tekening de originele lengten van het mes te verkrijgen.

Deze bodemvondst komt ook van dezelfde Betuwe akker af als 't item van de foto nr. 408 op dezelfde pagina als waar u nu naar kijkt. Periode waarschijnlijk tussen de 1e - 5e eeuw na Christus.

De totale lengte van dit scalpel = 83 mm. gemeten zonder het nieuwe ovale ijzeren mes van de rechterkant.
Deze mag je verglijken met verwisseling van blad gelijk een Stanleymes alleen zitten er hier twee kleine klinknagels tussen.



Geneeskunde in het verleden

Harmonie en disharmonie
Geneeskunst in het verleden
Ons onderwerp, 'Harmonie en disharmonie', gaat over geneeskunst in het verleden. Wij presenteren dit onderwerp in een uiteenzetting. Een uiteenzetting is een uitlegging of een verklaring van een zaak. De bronnen die we gebruikt hebben zijn:

1.Heelmeesters en kwakzalvers: Door de eeuwen heen, door J. A. Elvader
2.De geschiedenis in beeld: De Middeleeuwen, door Richard O'Neil

De onderwerpen die we gaan behandelen zijn: De Griekse geneeskunst, de Arabische geneeskunst, geneeskunst uit de Middeleeuwen en een aantal epidemische ziekten uit de Middeleeuwen en de 17e en 18e eeuw. Als jullie vragen hebben kunnen jullie die aan het eind stellen.

Iedereen kent het internationale symbool van de geneeskunde wel. Je hebt het vast wel eens gezien op de voorruit van een auto van een arts of bij een apotheek. Dit teken is het aesculaapteken, een slang die zich om een staf kronkelt. Het symbool stamt uit de Griekse geneeskunde van een halve eeuw voor Christus. In deze tijd werd de god van de geneeskunde, Asklepios, altijd met deze slangestaf afgebeeld. De slang was het symbool van het stervende en het uit de dood herrijzende leven, omdat een slang zich door het afwerpen van de oude huid ieder jaar vernieuwt. De staf was het symbool van de bereidheid tot helpen en ondersteunen. Asklepios kon met zijn magische staf zieken genezen.

Griekenlands grootste geneesheer was Hippocrates. Hij leefde in de 4e eeuw voor Christus. Deze vader der geneeskunde had een doordachte opvatting van het ontstaan van ziekten, de zogenaamde Humorale Pathologie. Volgens deze humorale pathologie waren er in het lichaam 4 levenssappen: Bloed, Slijm, Gele Gal en Zwarte Gal; welke allemaal in een bepaalde hoeveelheid aanwezig moesten zijn. Als dit zo was dan was iemand gezond, en was zijn lichaam in harmonie. Als zijn lichaam in disharmonie was, was men ziek en moest men genezen worden door een dieet, aderlaten, het nemen van baden, of het veranderen van de leefwijze. Ook kon Hippocrates met het blote oor geluiden in de borstholte herkennen die wij nu met een oscilloscoop beluisteren.

In 131 na Christus werkte Claudius Galenus de ideeŽn van Hippocrates verder uit. Met behulp van de leer van de vier levenssappen formuleerde Galenus ook vier menselijke temperamenten. Als bij iemand het bloed overheerste was hij opgewekt, het sanguinische temperament. Bij een overschot aan slijm, was iemand rustig en taai, het flegmatische temperament. Iemand met teveel zwarte gal was tobberig en droevig, het melancholieke temperament. En tenslotte, als iemand teveel gele gal had, was hij energiek, het cholerische temperament.

Galenus schreef ook meer dan 500 boeken. Met zijn dood kwam er een einde aan de Grieks-Romeinse geneeskunde.

De Arabieren hebben geen bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de chirurgie. Omdat de Koran bloedvergieten verbood, mochten de artsen, zonder dringende reden, geen gebruik maken van scherpe instrumenten. In plaats hiervan gebruikte men het brandijzer. Wel heeft ArabiŽ een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van de farmacie. Zij zorgden ervoor dat de farmacie een afzonderlijke wetenschap werd. De Arabieren richtten speciale scholen op voor de opleiding van apothekers. De eerste apotheek werd rond het jaar 770 in Bagdad geopend. Ook waren de Arabieren de eersten die pillen gingen vergulden en verzilveren. Ze dachten dat er van het goud en zilver kracht zou uitgaan, die de genezing kon bevorderen. Nieuwe geneesmiddelen die de Arabieren ontdekten zijn: Saffraan, Sesam, Amber en kruiden zoals Peper, Kruidnagel en Nootmuskaat. Hoewel de penicilline pas in de 20e eeuw werd ontdekt, gebruikte men in de Arabisch-islamitische tijd al schimmels.

In de Middeleeuwen hield men zich wat betreft de anatomie onvoorwaardelijk vast aan de ontleedkunde van Galenus. Hij was voor de geneeskunde als wat de Bijbel was voor de kerk. Zo vond men tijdens secties gehoorbeentjes, maar die waren niet beschreven door Galenus. Dus ging men er vanuit dat die sindsdien ontstaan moesten zijn. En het dijbeen wat recht bleek te zijn, maar dat Galenus krom beschreef, moest door de nauwe broeken die men droeg recht zijn gegroeid.

Er waren eigenlijk drie soorten opleidingen in de medische wereld. Het hoogst was de opleiding tot doctor. Deze mensen moesten aan een universiteit studeren om arts te worden. Ze hielden zich bezig met de Ďinterneí geneeskunde. De enige methode van diagnose was de pols voelen en de urine te bekijken. De behandeling beperkte zich tot medicatie en dieetvoorschriften.

Operatief werk werd aan de chirurgijns overgelaten, die een stapje lager stonden en niet gestudeerd hadden. De chirurgijn deed alles, van scheren tot het amputeren van lichaamsdelen. Een vervelend probleem was, dat er geen betrouwbare verdoving was voor deze operaties. Als er dus zoín operatie werd uitgevoerd, kreeg de zieke eerst een heleboel alcohol te drinken en werd tijdens de operatie door een aantal mensen vastgehouden. Het was een riskante operatie en als deze goed uitgevoerd was, stierf de patiŽnt vaak na de operatie aan wondkoorts of onvoorziene ontstekingen.

De barbiers stonden nog lager. Zij verrichten alleen dingen als scheren, knippen, aderlaten, gebroken ledematen behandelen, tanden trekken en zweren en open wonden verzorgen.

Er waren ook mensen die rondtrokken en hun diensten aanboden op feesten en jaarmarkten; de kwakzalvers. Ze verkochten zelfgemaakte geneesmiddelen en voerden schijnoperaties uit. Een voorbeeld hiervan was de veel voorkomende Ďkeisnijdingí. De kwakzalvers beweerden dat ze een krankzinnige konden genezen door versteende horzels uit zijn hoofd te snijden. Ze maakten hierbij een snee in de hoofdhuid en toverde snel een meegebrachte steen tevoorschijn.

Ook het aderlaten werd in de Middeleeuwen veel gedaan. De geleerde doctors achtten het beneden hun waardigheid om operatief werk te verrichten, dus aderlaten werd door de chirurgijn gedaan.

Zoals Ronald eerder vertelde leefde men in de opvatting dat de vier lichaamssappen met elkaar in harmonie moesten zijn, als iemand gezond was. Als er bijvoorbeeld weinig water boven het opgevangen bloed was en het bloed was helder rood, dan was de patiŽnt gezond. Als er zich geen water afscheidde, was er een overmaat aan zwarte gal. Veel water boven de bloedkoek betekende slijm, en een geelachtige verkleuring toonde galachtige ziekten aan. Op deze manier kon men ziekten aantonen als hoofdpijn, koorts, jicht, melaatsheid en leveraandoeningen. Ook dacht men dat het bloed duidelijk aantoonde of een zieke zou sterven of genezen en of een vrouw zwanger was of niet.

In de Middeleeuwen waren de hemellichamen van groot belang bij het aderlaten. De medische verzorging moest bij een gunstige stand van de sterren plaats vinden. Met elk sterrenbeeld kwam een bepaalde plaats op het lichaam overeen, waar de ader geopend moest worden. Hiervoor werd een zodiak mannetje gebruikt. Om de goede plek op het lichaam te vinden voor de juiste ziekte, werd het aderlaat mannetje gebruikt.

Heel Europa werd in de Middeleeuwen geteisterd door veel afschuwelijke ziektes. Ziekten die voorkwamen waren onder andere: lepra, de pest, sint-vitusdans, Sint-Antoniusvuur, en Sudor Anglicus.

Lepra kwam uit AziŽ. Lepra patiŽnten werden uit de gemeenschap gestoten en moesten een zwart kleed met twee witte plekken op de borst dragen en met een ratel hun nadering aankondigen. Lepra bestond al ver voor onze jaartelling, maar in de 13e eeuw bereikte het haar hoogtepunt.

Nu is de ziekte uit Europa verdwenen, in tropische landen is het echter nog steeds een ernstige en gevreesde infectieziekte.

Een andere epidemie uit de middeleeuwen was het Sint-Antonius-Vuur. Na het eten van brood dat gemaakt is van besmet graan kreeg men tintelingen in handen en voeten, werden vingers en tenen zwart en stierven af en tenslotte stierf men.

In de 15e eeuw brak er in Engeland nog een ernstige epidemie uit, de Sudor Anglicus of de Engelse zweetziekte. Deze ziekte trof juist de jonge en krachtige mensen. Men ging erg zweten en stierf snel daarop. De verwoesting was zo groot dat nauwelijks ťťn op de honderd die ziek werden aan de dood ontsnapten.

We weten nog steeds niet wat voor aandoening dit geweest is. Misschien is het een mogelijke vorm van de Tyfus.

Een andere verschrikkelijke ziekte was de pest. Deze epidemie is drie keer in Europa uitgebroken. Tussen 1347 en 1351 werd Europa het zwaarst getroffen: de builenpest brak uit. De besmetting werd door ratten, die aan boord zaten op handelsschepen, uit AziŽ overgebracht.

De besmetting gaat als volgt: Een vlo die de ziekte van een zwarte rat heeft gekregen, besmet de mens via een vlooienbeet Op de plaats van de beet komt een puist, die uitgroeit tot een zweer, wat in de Middeleeuwen een Ďkarbonkelí werd genoemd. Na een paar dagen worden de lymfklieren, meestal in de liezen en oksels hard, groot, zeer pijnlijk en ze gaan etteren. Er treedt bij de patiŽnt een bloedvergiftiging op samen met een hoge koorts, waarbij de temperatuur kan oplopen tot 42į C. Meestal overlijdt de patiŽnt nu. Als dit niet gebeurt, ontstaan er nieuwe zweren. De slijmvliezen en ingewanden gaan spontaan bloeden en de patiŽnt raakt in een coma en sterft tenslotte.

De builenpest werd zo genoemd, vanwege de opzwellingen in de oksels en liezen van de patiŽnt. Het volk noemde de ziekte de Ďzwarte doodí, omdat door de vele onderhuidse bloeduitstortingen, de patiŽnt donkere vlekken op het lichaam kreeg.

De artsen hadden geen behandeling tegen deze ziekte en er stierven enorm veel mensen; ongeveer 25 miljoen mensen in heel Europa stierven. Dit was ruim een vierde van de bevolking. Steden raakten ontvolkt, de handel en industrie stortten in, dorpen liepen leeg, oogsten rotten weg en ook het vee stierf aan de pest. Wet en moraal verdwenen. Een deel van de mensen geloofde dat iedereen zou sterven en besloten nog maar even van het leven te genieten door naar de hoeren te gaan, te drinken en hun geld te vergokken. Veel priesters wilden de stervenden niet meer bijstaan, door het besmettingsgevaar, en wie dat wel deden stierven vaak zelf; alleen al de franciscaner orde verloor ongeveer 125.000 broeders.

Veel geleerden uit de Middeleeuwen dachten dat de Ďzwarte doodí astrologische oorzaken had en gaven de schuld aan de ongunstige stand van de planeten. Sommige mensen gaven de Joden de schuld en vervolgden ze. Weer anderen zeiden dat God de mensheid strafte: Door heel Europa trokken processies van geselbroeders; dit waren religieuze fanaten die elkaar aftuigden als teken van berouw.

De sint-vitusdans volgde als het ware de pest op. Het was een psychische infectie, waardoor de geÔnfecteerden als bezetenen gingen dansen zonder op te houden. De dansende groepen trokken van stad tot stad. Priesters probeerden de ziekte met geestenbezweringen te verdrijven, ervan overtuigd dat deze kwaal veroorzaakt werd door de Duivel. Later verdween deze ziekelijke danszucht uit Nederland.

In de 17e eeuw kwam Syfilis erg veel voor. Deze epidemie greep in Europa snel om zich heen. De kerk dacht dat het een straf van God was, astrologen dachten dat het door de loop van Saturnus kwam, maar al snel werd duidelijk dat je het door geslachtsgemeenschap met een besmet persoon kreeg. De bordelen werden toen gelijk als haard van besmetting gezien. Later zag men in dat er in de openbare badhuizen ook gevaar van besmetting schuilde.



 Terug