Voorwerp: Tetradrachme. Voorzijde Apollo. Achterzijde man met drietand. 350 B.C.
Afmeting: 3 cm.Periode: 500-0 B.C.
Above: one silver Tetradrachme of the god Apollo.
De levensloop van de God APOLLO.
Apollo versloeg ook de monsterachtige slang Python hierover was het volgende geschreven: Uit Ovidius, Metamorphosen "De godheid met de boog, tot op die tijd gewend zijn wapen alleen voor jacht op gems en reebok te gebruiken, schoot zijn koker bijna leeg – op de Python; de slang, verlamd door duizend pijlen, viel neer en uit zijn donkere wonden spoot giftig bloed. Bang dat de tijd zijn glorierijke daad zou doen verbleken, stelde Apollo een aan hem gewijde wedstrijd in: de Pythische Spelen – muzien- en sportwedstrijden ter ere van Apollo, eens in de vier jaar bij Delphi gevierd. Wie daar in mannenarmkracht, snelheid of met paardenspan de beste was, ontving een erekrans van eikenladeren – laurier bestond nog niet; Apollo moest zijn sierlijk hoofd vol lange lokken nog met loof van andere bomen kransen."
Bij de Griekse dichters was Apollo bijna een zeer geliefde godheid. Bijna nooit wordt over Apollo gesproken, vaak wordt hij ‘Foibos’ genoemd (zijn meest gebruikte bijnaam en ook eigenlijk de aanvullig tot zijn volledige naam) of ‘de zoon van Zeus en Leto’, en in andere gevallen wordt hij aangeduid met één van zijn vele bijnamen. De heilige dieren van Apollo waren de dolfijn en de kraai.
De Functie
De Olympische god Apollo had veel verschillende functies:De pijlen van zijn zilveren boog konden onheil brengen, dit leidde bijvoorbeeld tot een pestepidemie in het Griekse kamp voor Troje, omdat één van zijn priesters beledigd was.
Hij kon kwaad afweren en genezen.
Hij beschermde het vee tegen wolven en de akkers o.a. tegen de muizenplaag.
Hij was de god der wijsheid die tot zijn mensen sprak door middel van het orakel in Delphi en via zijn dichters.
Hij was de leider van de Muzen, die zich bezig hielden met kunst en wetenschap.
Hij was de zonnegod.
Daarbij had Apollo niet minder dan vierhonderdvijftig verschillende bijnamen. Enkele hiervan zijn: Foibos (“de stralende”), de Zonnegod, God van de Beschaving en Orde, God van het Licht, God van de Poëzie, God van de Wetenschap, God van de Waarheid, de God die Geneest, de God die Doodt, de Treffer van Verre, de Zilverboog, de God die Heelt, de Vernieler, de Heiland, de Godheid met de Boog, de Genezer, de Booggod, de Zon (maar alleen in de vroegste mythologische werken), de God van Delos, Afweerder van het Kwaad, Afweerder van de Dood, Beschermer tegen de Pest, etc.
Als god van de boogschutters had Apollo als attributen pijlen en een boog, als god van de muziek en de poëzie had hij een snaarinstrument (meestal een lier), als aanvoerder van de Muzen droeg hij een lauwerkrans en had hij meestal ook een snaarinstrument, als zonnegod reed hij met een, door paarden getrokken, gouden wagen langs de hemel, als herdersgod werd Apollo vaak afgebeeld terwijl hij lier speelde onder een boom. Ook zijn er veel heiligdommen aan Apollo gewijd, omdat hij god van de voorspellingskunst was. Tenslotte als god van de kunst had hij een van laurierbladeren gemaakte krans. De laurier was de boom van Apollo. Dat is te verklaren aan de hand van het verhaal van Apollo en Daphne.
Apollo had Eros namelijk diep beledigd want hij vond zichzelf beter dan Eros en hij had gezegd dat de boog van Eros beter bij hem paste dan bij Eros zelf. Als wraak beschoot Eros Apollo toen met een gouden pijl waardoor Apollo meteen verliefd werd op Daphne. Maar Eros schoot ook een loden pijl en wel op Daphne, die de liefde bij haar verdreef. Daphne ging toen de bossen in en Apollo ging haar achterna. Daphne was wanhopig en vroeg haar vader Penuius om haar in een boom te veranderen.
(Uit Ovidius, Metamorphosen)
“Haar klacht weerklinkt nog, als een starre stijfheid haar bevangt: haar zachte borst wordt door een dunne laag van schors omsloten, haar armen groeien uit tot takken en haar haar tot loof, haar voeten, eerst zo snel, zijn nu verstokt tot trage wortels, haar hoofd wordt kruin Haar gratie is het enige wat rest. Nog steeds bemint Apollo haar, zijn vingers langs de boomstam voelen haar hart nog sidderen onder de nieuwe bast en met zijn armen om haar takken heen, als om een lichaam, kust hij het hout, maar zelfs dat hout buigt van zijn kussen weg. Dan spreekt de god haar toe: ‘Omdat je niet mijn vrouw kunt worden, zul je in elk geval mijn boom zijn, en jij zult voortaan mijn haar omkransen en mijn lier en pijlenkoker sieren.
Jij zult de Romeinse overwinnaars begeleiden, als hun blijde zege klinkt en ‘t Capitool de lange stoeten ziet naderen.
Jij zult een zeer getrouwe wachtpost zijn, vlak voor Augustus’ poort, dicht naast de eikeboom in ‘t midden, en evenals mijn jeugdige hoofd steeds lange lokken draagt, zul jij voorgoed gelauwerd zijn en nooit meer zonder lover.”
