Voorwerp: Twee zilveren ringen uit de 19e eeuw met variant Zeeuws knopje een 18e eeuwse zilveren hangmedallion met voor en achterkant Balinese dame, ornement van een tussenhangmedallion zilver 17e eeuws./voorzijde drie dobbelstenen in cirkel waarvan de stippen van iedere dobbel zichtbaar zijn/keerzijde, stok met drie kettingen (karwats) het dekseltje van de medallion kan men verwijderen door de pin eruit te trekken. Men heeft dan een holle ruimte voor eventueel een poedertje, haarlokje of een ander iets in te doen.
ONGEVEER IN DE 16E EEUW WERDEN ER LINKS EN RECHTS IN HOLLAND
BRANDSTAPELS GEMAAKT VOOR HEKSEN EN DUIVELAANBIDDERS NA
DEZE GOED MET PEK EN TEER INGESMEERT TE HEBBEN GING ER ......
++++++ OPTEKENINGEN -VERMELDINGEN VAN DE NEERLANDSE HEKSEN (EN DAARBUITEN).++++++
Ze komen op geheime plaatsen bijeen om baby's en kleine kinderen te offeren. Ze slurpen het bloed van hun
slachtoffers en verorberen hun vlees. Ze vereren het geslachtsorgaan van hun priester en houden perverse
orgieën waarbij volwassenen met hun eigen kinderen copuleren. Incest, babyoffers en kannibalisme:
dat waren de gruweldaden waarvan de eerste christenen werden verdacht. Het was geen toeval dat zij
later dezelfde aantijgingen gebruikten in hun strijd tegen joden en ketterse sekten. De joden werden beschuldigd
van rituele moord op christenkinderen, terwijl men aannam dat de ketters zich vooral te buiten gingen aan orgieën.
De angst voor demonische invloeden nam in de loop der eeuwen sterk toe, zodat de ketters er ook
van werden beschuldigd dat zij de duivel en zijn trawanten dienden. Gregorius IX beschreef in een
pauselijke bul uit 1233 welke bestialiteiten zich tijdens de nachtelijke rituelen afspeelden. Naar verluidt
gaf Satan acte de présence in de vorm van een reusachtige zwarte kat die zich onder de staart liet kussen.
De paus verkreeg deze informatie van de fanatieke Konrad von Marburg, die hij twee jaar eerder in Duitsland
als inquisiteur had aangesteld. De Duitse bisschoppen zagen echter weinig heil in zijn onderzoeksmethoden,
waarvan ook enkele hooggeplaatsten het slachtoffer werden. Gelukkig werd Konrad al spoedig vermoord.
OP ZONDAG WERD IK WEER IN DE KERK AFGERANSELD......................
Een van de meest hardnekkige ketterse sekten waren de Waldenzen. Zij werden omstreeks 1173 gesticht
door Petrus Waldus, een rijke koopman uit Lyon. Hij baseerde zich op een tekst in Mattheüs (19:21):
'Indien ge volmaakt wilt zijn, verkoop dan al wat ge bezit en geef het aan de armen...' Waldus volgde deze
raad op en begon de armoede te prediken. Toen de aartsbisschop daar een stokje voor wilde steken, deed hij een
beroep op de Heilige Stoel. Maar de paus liet zich niet vermurwen, zodat Waldus zich gedwongen zag hem de
rug toe te keren. Zijn aanhangers vermenigvuldigden zich ook buiten Frankrijk en presenteerden zich met enig
recht als de ware christenen: ze verworpen de liederlijke levenswijze van de geestelijkheid zonder de gevestigde
dogma's in twijfel te trekken.
De Waldenzen werden dringend opgeroepen zich vrijwillig te melden en al hun medeplichtigen aan te geven.
In 1252 gaf paus Innocentius IV zijn inquisiteurs toestemming om vermeende ketters door middel van ingenieuze
martelwerktuigen tot een bekentenis te dwingen. Ketters die slechts met moeite berouw toonden, werden
levenslang in een kerker opgesloten waar ze 'op het water van droefheid en het brood van ellende' vergiffenis
van God konden verkrijgen. Lichtere gevallen kregen een 'alternatieve' straf opgelegd. Zij moesten zich bijvoorbeeld
regelmatig in alle kerken van de stad laten afranselen of ze moesten tien lange pelgrimstochten voltooien.
Verstokte ketters werden overgeleverd aan de wereldlijke autoriteiten om te worden verbrand.
Aan het begin van de 14de eeuw werd zelfs de invloedrijke orde der Tempeliers als een duivelse sekte
ontmaskerd. Dat was te danken aan de hebzucht van Philips IV de Goede, die zich de bezittingen van
de orde toeëigende. De gearresteerde Tempeliers bekenden onder meer dat zij regelmatig op het crucifix
spuwden en een geheimzinnige kat vereerden, maar er waren ook velen die de brandstapel prefereerden.
Onder druk van Philips zag paus Clemens zich gedwongen de orde te ontbinden (Cohn, 1975).
DRAKULA IN 'N DUIKVLUCHT OP ZOEK NAAR 'N NIEUW SLACHTOFFER.........
Vooral in de westelijke Alpen (het gebied tussen Lyon en Bern) waren veel ketters te vinden, die in de 14de
eeuw hevig werden vervolgd. In dezelfde streek moesten ook de joden het massaal ontgelden. Zij werden
ervan verdacht de pest te verspreiden door een giftig poeder in de waterbronnen te strooien. Uiteindelijk
ontdekte men hier rond 1400 een nog veel ernstiger bedreiging: de heksen. Zij vormden een satanische
samenzwering die tegen de christelijke gemeenschap was gericht. De heksen hadden een verbond met Satan
gesloten, die hun occulte vermogens verschafte waarmee ze hun naasten schade konden berokkenen.
's Nachts vlogen zij zonder dat iemand het merkte naar hun heksensabbat, waar zij naakt dansten, met
de duivel copuleerden en ongedoopt kindervlees aten.
De egyptologe Margaret Murray publiceerde in 1921 en 1933 twee invloedrijke boeken waarin
zij betoogde dat de heksensabbat in werkelijkheid een oude vruchtbaarheidscultus was die al
eeuwen lang een ondergronds bestaan had geleid. De aanhangers aanbaden niet de duivel maar
de gehoornde god Dianus (of Janus), een ceremoniële rol die door hun voorgangers werd vervuld.
Om deze theorie een schijn van geloofwaardigheid te geven, maakte Murray zeer selectief gebruik
van haar bronnen. Zo vertelde ze bijvoorbeeld over een heks die bekende te paard naar de nachtelijke
bijeenkomsten te reizen, zonder daarbij te vermelden dat dit paard kon vliegen.
Murray's ideeën werden onder meer overgenomen door Martin Koomen (1973) in zijn boek Het ijzige
zaad van de duivel. Om te kunnen verklaren waarom de duivel zo koud aanvoelde en een onbeperkte
potentie had, veronderstelt Koomen dat de priester gebruik maakte van een kunstpenis die water kon
spuiten. Een theologische verklaring ligt evenwel meer voor de hand: de duivel was koud omdat hij geen
bloed had. Er is geen enkele concrete aanwijzing dat de vermeende heksen werkelijk bijeen kwamen.
Niemand heeft ze ooit tijdens hun sabbat kunnen betrappen. Het lijkt ook onwaarschijnlijk dat talloze
middeleeuwers een georganiseerde heidense religie aanhingen die pas in de 15de eeuw door de autoriteiten
werd ontdekt. Moderne historici hechten daarom geen waarde aan het werk van Murray.
ACHTER OP DE BEZEM BIJ DE STAART DE HEKS HOOG IN DE LUCHT .....................
Het geloof in diabolische heksen kwam niet voort uit de ongeletterde bevolking, maar ontstond doordat
deskundige autoriteiten geleidelijk een aantal elementen samenvoegden. Ten eerste waren er de geschriften
en geruchten over geheime groepen die in ondergrondse schuilplaatsen offers brachten, complotten beraamden,
bacchanalen aanrichtten en orgieën hielden. Ten tweede was er een wijdverbreid volksgeloof in vrouwen die
's nachts door het luchtruim vlogen onder aanvoering van een heidense godin, die onder vele namen bekend
stond (Diana, Holda, Perchta, et cetera). Uit 15de-eeuwse bekentenissen blijkt dat er waarschijnlijk vrouwen
waren die geloofden dat ze hadden deelgenomen aan zulke nachtelijke reizen (Ginzburg, 1989). De kerk had
deze extatische ervaringen aanvankelijk beschouwd als een illusie, maar ze kwamen nu goed van pas om te
verklaren hoe de heksen in staat waren in korte tijd grote afstanden te overbruggen als ze naar hun sabbat gingen.
Een derde element was de opkomst van de rituele magie. In 13de-eeuwse boeken werd beschreven hoe
je geesten of demonen kunt oproepen. Deze konden de magiër onder meer helpen om een vrouw te verleiden,
een verborgen schat op te sporen of de toekomst te voorspellen. Hoewel de demonen niet werden aanbeden
maar gecommandeerd in de naam van God, veroordeelden theologen de magiërs als ketters die in de greep van
Satan waren. Ook allerlei populaire vormen van tovenarij en het volksgeloof in vrouwen met kwade krachten werd
geleidelijk onder dezelfde noemer geplaatst. Magie, ketterij en heidendom werden omgesmeed tot een satanische
heksensekte.
Sommige historici hebben aangenomen dat de eerste heksenprocessen al in 1335 in Toulouse plaatsvonden
en een uitvloeisel waren van de strijd tegen de Katharen in Zuid- Frankrijk. De Katharen waren dualisten die
geloofden dat de materiële wereld door een kwade god of duivel was geschapen (een stelling die nog steeds
te verdedigen valt). Ze verwierpen de sacramenten, beschouwden Christus als een reddende engel die een
schijnlichaam had aangenomen, en hadden een afkeer van menselijke voortplanting omdat ze geen nieuwe
zielen gevangen wilden zetten. Hoewel de Katharen ernaar streefden hun ziel uit de boze wereld bevrijden,
werden ze vaak als duivelaanbidders en abortusplegers beschouwd. De theorie dat ze door de inquisitie tot
heksen werden omgevormd, was gebaseerd op een 14de-eeuws document dat in 1829 werd aangehaald
in een boek van de Franse auteur Lamothe-Langon. Inmiddels is echter duidelijk geworden dat deze Fransman
een ervaren vervalser was (Cohn, 1975).
MAGISCHE SPENEN RAPEN EN KOLLEN..............
Paus Innocentius VIII gaf in 1484 het sein tot een grootscheepse heksenvervolging, die meer dan
twee eeuwen zou duren. Zijn bul werd twee jaar later opgenomen in de Malleus Maleficarum het
eerste handboek voor heksenjagers, dat dank zij de uitvinding van de boekdrukkunst een ruime
verspreiding vond. De ketterjacht werd geleidelijk vervangen door de heksenjacht, waaraan in de
16de eeuw ook de protestanten volop begonnen deel te nemen. De heksen werden nog wreder
behandeld dan de ketters: ze kregen meestal geen kans om aan de brandstapel te ontkomen.
De aangeklaagden waren dikwijls oudere, alleenstaande vrouwen die voor hun levensonderhoud deels
afhankelijk waren van hun buurtgenoten. Ze zagen er wat angstaanjagend uit, gedroegen zich afwijkend
en waren geneigd voor zichzelf op te komen door hun buren uit te schelden of te bedreigen. Als je zo'n
kwaadaardig mens een kan melk weigerde en vervolgens getroffen werd door een storm die je oogst ruïneerde,
door impotentie of door een sterfgeval in je familie, dan lag het voor de hand om dit onfortuin aan de kwade
krachten van de toverkol toe te schrijven. Ook vroedvrouwen en beoefenaars van de volksgeneeskunst werden
vaak van zwarte magie verdacht.
Op het platteland was het geloof in toverkrachten al eeuwenlang wijdverbreid en er werden soms ook
daadwerkelijk magische hulpmiddelen aangewend om het eigen lot ten koste van anderen te verbeteren.
Het was echter niet eenvoudig om iemand voor zulke praktijken te laten boeten omdat het strafproces
aanvankelijk accusatoir was. Dit betekende dat men zelf als aanklager naar voren moest treden met overtuigend
bewijsmateriaal. Als de aangeklaagde niet bekende of als de bewijzen ontoereikend waren, kon de rechter
zijn toevlucht nemen tot een godsoordeel. Zo kon hij opdracht geven de verdachte geboeid in het water te
gooien. Indien zij zonk (voordat ze aan een touw weer werd opgehaald), was haar onschuld bewezen en
werd de aanklager bestraft. Aangeklaagden konden zich ook verdedigen door met hulp van een aantal eedhelpers
te zweren dat ze onschuldig waren. Het was dus riskant om iemand op grond van vage vermoedens te beschuldigen!
ONDER VRAGINGEN MET STEEVASTE KWELLINGEN.....................
Door de invoering van de inquisitoire rechtspraak, die in de 16de eeuw overal in Europa werd toegepast,
werd het veel gemakkelijker om vermeende heksen of andere devianten te elimineren (Levack, 1987).
Verdachten konden worden aangegeven bij de wereldlijke autoriteiten, die dan zelf een onderzoek instelden.
De beklaagden werden veroordeeld als twee ooggetuigen hun misdaad hadden gezien of als zij zelf bekenden.
In gevallen van hekserij waren er doorgaans geen ooggetuigen, magische attributen werden zelden gevonden
en men kon vaak niet eens vaststellen of er inderdaad een misdaad was gepleegd. Daarom maakte men intensief
gebruik van martelingen om een bekentenis los te krijgen.
De martelingen waren aanvankelijk aan regels gebonden. Het was verboden om verdachten meer
dan eens naar de martelkamer te brengen, er mochten geen suggestieve vragen worden gesteld,
een bekentenis moest buiten de martelkamer worden herhaald en de feiten die aan het licht kwamen
moesten worden geverifieerd. Deze regels werden echter al spoedig niet meer in acht genomen omdat
men niet het risico wilde lopen een heks op vrije voeten te laten. Heksen werden extra hard aangepakt
om hun toverkracht te breken en hen aan de greep van de demonen te ontworstelen. De rechters gingen
er voor de zekerheid van uit dat alle aangeklaagden schuldig waren en namen aan dat God de onschuldigen
de nodige kracht zou geven om de martelingen te doorstaan.
De rechters waren niet in de eerste plaats geïnteresseerd in het kwaad dat de heksen hun buren hadden
aangedaan, maar in hun connecties met de duivel. Ze gebruikten standaardvragenlijsten om de heksen te
laten bekennen dat ze op bezemstelen naar hun bijeenkomsten vlogen, waar ze hulde brachten aan de duivel,
aan orgieën deelnamen, de sacramenten ontheiligden en uit kindervet toverzalf vervaardigden. Zo werden de
aangeklaagde vrouwen tijdens het onderzoek tot leden van een duivelse sekte gebombardeerd. Ze werden ook
aangespoord om medeplichtigen te identificeren, waardoor soms een kettingreactie op gang kwam die tientallen
slachtoffers eiste. Zulke panische heksenjachten, die vooral in Duitsland voorkwamen, eindigden pas wanneer
men begon te beseffen dat er steeds meer mensen werden aangeklaagd die niet beantwoordden aan het
stereotype beeld van een heks.
MET PIJN PRATEND OVER .................
Er waren heksen die bekentenissen hebben afgelegd zonder dat ze gemarteld werden. Volgens sommige
wetenschappers rapporteerden zij hallucinaties die waren opgewekt door psychotrope substanties in de
zalf waarmee ze zich insmeerden. Er zijn recepten bekend waarin onder meer giftige nachtschaden zitten
verwerkt. In de oudste recepten, die uit de 15de eeuw dateren, zijn zulke stoffen echter niet te vinden.
Deze bevatten alleen kindervlees, vleermuisbloed, spinnenkoppen en andere bizarre ingrediënten. Bovendien
vertelden de heksen aanvankelijk dat ze niet hun lichaam maar hun bezemsteel insmeerden. Ook indien ze
de zalf wel op hun lichaam aangebrachten, was dat vermoedelijk niet erg effectief. Daar komt bij dat bijna
niemand ooit heeft gezien dat een heks zich met zalf insmeerde.
In psychiatrische kringen heeft men dikwijls verondersteld dat veel heksen psychisch gestoord waren.
Misschien meenden ze naar de sabbat te zijn gevlogen omdat ze schizofreen waren. De bekende MPS-therapeut
Colin Ross sprak onlangs het vermoeden uit dat de aangeklaagden dikwijls een zogenoemde borderline
persoonlijkheidsstoornis hadden en als kind seksueel misbruikt waren. We kunnen er echter zelden zeker
van zijn dat een bekentenis inderdaad vrijwillig is afgelegd (Spanos, 1978). Verdachten mochten 'vrijwillig'
bekennen nadat men hun de beschikbare martelwerktuigen had getoond. In de Heksenhamer wordt bovendien
geadviseerd ze voor te spiegelen dat ze niet ter dood zullen worden gebracht als ze al hun zonden opbiechten.
Veel heksen zouden er achteraf gezien verstandig aan hebben gedaan als ze meteen alles hadden toegegeven,
want dan zou hun veel leed bespaard zijn gebleven.
Engeland vormde een gunstige uitzondering omdat het martelen van heksen daar niet was toegestaan,
al werden ze wel met lange naalden overal in hun lichaam geprikt om een ongevoelige plek op te sporen,
het zogenaamde duivelsteken. Er zijn in totaal niet meer dan vijfduizend Engelse heksen aangeklaagd,
waarvan minder dan de helft werd opgehangen. Zij vlogen gewoonlijk niet op bezemstelen en aten ook
geen kindervlees, maar bekenden alleen dat ze hun buren kwaad hadden gedaan, dikwijls met hulp van
een demonisch huisdier. Ook deze bekentenissen kunnen niet als geheel vrijwillig worden beschouwd: de
aangeklaagden werden langdurig geïsoleerd en door de autoriteiten onder grote druk gezet, ze mochten
soms niet slapen, er werden valse beloften gedaan en suggestieve vragen gesteld. Niettemin lijkt het aannemelijk
dat sommige aangeklaagden er van overtuigd raakten dat ze werkelijk heksen waren die over kwade krachten
beschikten.
De heksenjacht kwam pas tegen het einde van de 17de eeuw tot bedaren toen het intellectuele klimaat veranderde.
Er ontstond een mechanistisch wereldbeeld waarin veel minder plaats was voor dogma's en demonen.
In de rechtspraak begon men hogere eisen te stellen aan het bewijsmateriaal en er kwam steeds meer
weerstand tegen de martelkamer. De dood van een koe of een andere tegenslag was niet langer toereikend
om iemand voor hekserij te kunnen aanklagen: 'N VOORUIT GANG DUS MAAR 'T GING OOK STEEDS BETER .
DE ~~~~GOUDEN EEUW ~~~~STOND IN HOLLAND VOOR DE DEUR HIER DE VELE STILLE GETUIGE
VAN DE VELE BODEMVONDSTEN UIT DIE PERIODE VAN GOUDEN HORLOGESKETTINGEN
OP DE DIKKE BUIKEN VAN ..................